Het christendom is zo gek nog niet (overzicht) Afdrukken

Dinesh D’Souza

(Nieuw Amsterdam Uitgevers)
Zie de rubriek Bezinning voor het complete uittreksel.


Deel I - De toekomst van het christendom
Hoofdstuk 1: De Götterdämmerung van het atheïsme: de wereldwijde triomf van het christendom.
Nietzsche proclameerde: “God is dood”. De seculariteitsstelling was: gelovigen worden minder gelovig, de conservatieve kerken gaan krimpen en de vrijzinnige groeien. Echter, de wereld telt meer mensen met traditionele geloofsopvattingen dan ooit tevoren; alleen het Westen wordt a-religieuzer. Het christendom is de snelst groeiende godsdienst, door bekeringen en geboortecijfer, gevolgd door de Islam, voornamelijk door een hoog geboortecijfer.


Hoofdstuk 2: Het overleven van de sterksten: waarom de godsdienst aan de winnende hand is.
Het darwinisme weet met de blijvende vitaliteit van de godsdienst niet goed raad. Nu lijkt religie op het eerste gezicht uit evolutionair standpunt nutteloos. We zijn op een keerpunt in de geschiedenis van de biologie zijn aangekomen, wanneer de godsdienst zelf natuurwetenschappelijk kan worden verklaard”.


Hoofdstuk 3: God is niet groot: de atheïstische aanval op de religie.
(een beschrijving van het huidige antireligieuze atheïsme)
Het atheïsme is zelfbewust. Atheïsten spreken over de ‘definitieve veldslag’ tegen het christendom. Zijzelf daarentegen vertrouwen op de wetenschap. De mens is alleen bewegende materie en de ziel een fantasieproduct; het leven na de dood is een mythe en de zin van het mensenleven een illusie. In de natuur zijn geen morele of ethische wetten vastgelegd. De kwalijke invloed van de godsdienst: kruistochten, inquisitie, godsdienstoorlogen en heksenprocessen, moslimradicalisme en -terrorisme. Alleen het atheïsme maakt een pluralistische, democratische samenleving mogelijk.


Hoofdstuk 4: “Een verkeerde opvoeding: kinderen beschermen tegen hun ouders”.
Atheïsten komen in de VS op tegen het streven van groepen die het scheppingsverhaal onderwezen willen hebben naast de evolutietheorie: “Het zou goed zijn als mensen een sociaal en intellectueel systeem, nl. de wetenschap, aanvaarden als enige bron van waarheid.”
Ouders die hun kinderen naar de universiteit sturen, moeten dan ook inzien dat wij – de professoren – proberen uw fundamentalistische godsdienstige gemeenschap van haar waardigheid te beroven en de indruk te wekken dat uw opvattingen niet zozeer bespreekbaar als wel dwaas zijn.”
De godsdienst wordt afgeschilderd als een systeem dat de seksualiteit onderdrukt.
Het is in de academische wereld bijna overal gebruikelijk dat godsdienstig geloof iets is waaraan je ontgroeit wanneer je studeert.


Deel II - Het christendom en het westen
Hoofdstuk 5: Geef aan de keizer wat van de keizer is: de geestelijke basis van de beperkte staatsmacht.
Onze samenleving is in godsdienstig opzicht ongeletterd; er wordt zelden nog bijbelonderricht gegeven. Velen weten nog geen vijf van de tien geboden op te noemen. De Griekse en Romeinse beschaving is niet vernietigd door christelijke barbaren. Het christendom schiep veel later juist orde en stabiliteit, met name via kloostergemeenschappen. In het christendom hebben kunstenaars een karakteristieke uitdrukkingsvorm gevonden.
De scheiding van kerk een staat: dat is een oud christelijk idee dat terug gaat op Christus’ uitspraak “ Geef dan aan de keizer wat des keizers is en aan God wat God toebehoort”.
De Civitate Dei (Augustinus) stelt dat mensen in twee rijken leven, nl. de aardse stad en de hemelse stad. Tegenover deze rijken heeft de christen plichten maar die verschillen van elkaar. Hier wordt de overheidsmacht dus beperkt.


Hoofdstuk 6: “Het kwade doe ik: het christendom en de feilbare mens”.

Een hoofdkenmerk van de westerse beschaving, aan het christendom ontleend, is het beamen van het gewone leven. Gewone mensen zijn feilbaar, maar belangrijk; vele laatsten zullen eersten worden.
Het christendom richtte zich op wat humaan en sociaal heilzaam was: het huwelijk als een vorm van kameraadschap, die instemming van man én vrouw moest hebben; de rechtspleging waarin de wet geldt voor iedereen, scheiding van machten tussen wetgever, wetshandhaver en de rechtelijke macht (om willekeur tegen te gaan), dienstbaar leiderschap, en het kapitalisme dat de zelfzucht van de mens kanaliseert zodat de samenleving er beter van wordt, aan de behoeften van anderen beter voldaan wordt; de afschaffing van de slavernij. De hulp aan de armen door instituties of door individuen komen we in niet-christelijke culturen nergens tegen en het christelijke geloof heeft ongelooflijk veel gedaan om het leven van mensen te verbeteren en menselijk lijden te verminderen.


Hoofdstuk 7: “Gelijk geschapen: de oorsprong van het idee van menselijke waardigheid”.

D’Souza: “als het Westen afscheid neemt van het christendom, brengt het ook de menselijke waardigheid in gevaar die het aan het christendom te danken heeft”.
Jefferson zei in de Declaraction of Independence: ‘alle mensen worden gelijk geschapen’. De meeste culturen verwerpen dit idee, vroeger en nu. Christenen hebben altijd geloofd dat God een elk mensenleven buitengewoon veel waarde toekent en dat Hij alle mensen evenzeer liefheeft.
In het oude Griekenland en Rome had een mensenleven weinig waarde: Maar Jezus accepteerde vrouwen als reisgezellin. Het christendom verbood overspel zowel voor vrouwen als voor mannen. Vrouwen stonden in de christelijke huwelijksopvatting hoog aangeschreven
Slavernij bestond echter al eeuwen van het oude Griekenland, Rome, China tot India. Maar van meet af aan ontmoedigden christenen elkaar medechristenen als slaaf te hebben.
Christenen vormden de eerste groepering die een campagne tegen de slavernij organiseerden. De Second Great Awakening streed tegen drankmisbruik, voor vrouwenkiesrecht en voor de afschaffing van de slavernij.
King’s droom was dat mensen ‘niet op hun huidskleur maar op hun karakter’ zouden worden beoordeeld; de waarde van een mens zou niet meer afgemeten worden aan macht en bezit, maar aan rechtschapenheid.
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 is gebaseerd op het christelijke principe dat ieder mensenleven waardevol is; dat vind je niet in alle culturen en religies terug.
Er bestaat geen seculiere basis voor deze waarden.


Deel III - Christendom en wetenschap
Hoofdstuk 8: Christendom en de rede: de theologische wortels van de wetenschap.
Moderne atheïsten vinden wetenschap en geloof principieel onverenigbaar. De moderne wetenschap is echter in het christelijke Europa ontstaan.
Het jodendom en de islam zijn vooral wetsgodsdiensten: mensen en de natuur zijn onderworpen aan de door God gegeven regels. Het christendom berust op een belijdenis. In die religie gaat het om de leer, opgevat als een reeks ware overtuigingen omtrent de relatie mens-God.
Er bestaan twee beroemde oude “bewijzen” voor het bestaan van God die volledig op de rede gebaseerd zijn. Thomas van Aquino dat alles in onze werkelijkheid een oorzaak heeft. Volg je de redenering van oorzaken en gevolgen terug dan is er een eerste oorzaak, en die noemen wij God. Het andere Godsbewijs komt van Anselmus, de 11de-eeuwse theoloog uit Canterbury. Hij definieert God als ‘datgene wat groter is dan alles wat we verder aan groots kunnen bedenken’. Als we deze definitie accepteren, blijkt onze geest dus een idee van God te hebben.
Wat je ook van de redeneringen vindt, het waren redeneringen, d.w.z. overwegingen die op de rede gebaseerd zijn; ze doen geen beroep op openbaring. En dat is kenmerkend voor het christendom; in andere religies vind je ze maar heel zelden.


Hoofdstuk 9: “Van logos naar kosmos: de uitvinding van de uitvinding”.
Het grootste idee van de moderne wetenschap is niet op de ratio gebaseerd, maar op geloof, nl. dat het universum rationeel is ingericht.
Het christendom gaat ervan uit dat het universum gehoorzaamt aan wetten die uitdrukking geven aan de rationaliteit van God de Schepper. Voor christenen (en joden) is de zon dan ook geen voorwerp van verering, maar een grote lamp.
Zeker, christenen geloven in wonderen, maar dat zijn uitzonderingen op de natuurkundige regels – daarom vallen ze op. De islam ziet alles in het universum als miraculeus. Tegenwoordig wordt Francis Bacon – een vroom man, die verhandelingen over de psalmen en het gebed schreef – beschouwd als de grondlegger van de wetenschappelijke methode, de ‘uitvinder van de uitvinding’.
De moderne wetenschap begon met de scholastieke discussies waarin de menselijke rede deductief te werk ging om de werking van Gods hand in de schepping te ontdekken. De eerste professionele wetenschappers vatten hun werk op als dienstbaar aan een christelijk doel: het eren van God.
De reformatie kwam met een nieuw idee: ieder mens moet voor zichzelf uitmaken wat waar en onwaar, goed en fout is. Dat was een vrijbrief om als individu zelfstandig te denken. De opkomende wetenschappelijke cultuur in Europa kreeg er een nieuwe dynamiek door..
Nog steeds raken natuurwetenschappers er meer van overtuigd dat ze een relatie in de natuur juist hebben waargenomen en verklaard als dat verband ‘eenvoudig’ en ‘mooi’ is. Einstein erkende dat ‘iedere ware onderzoeker van de natuur een soort religieus ontzag ervaart’.


Hoofdstuk 10: Een atheïstische mythe: de zaak-Galilei heropend.
De zaak Galilei staat symbool voor de blinde afwijzing van wetenschap door de kerk.
Maar….. deze verhalen kloppen niet. Historici zijn zelf vrijwel unaniem van mening dat het hele verhaal over Galilei etc. een negentiende-eeuws verzinsel is. Galilei als martelaar en slachtoffer neerzetten is een karikatuur maken van de feitelijke gang van zaken. Bovendien gaat het om een uitzonderingsgeval; het is in de geschiedenis van de katholieke kerk het enige geval van de veroordeling van een wetenschappelijke theorie.
De vooroordelen zijn gevestigd en zijn taai. Zo geloven veel mensen tot op heden dat de middeleeuwse kerk dacht dat de aarde plat was. Echter de middeleeuwse kosmologie van Dante was gebaseerd op het idee van een bolvormige aarde.
En het roemruchte debat tussen de 19de-eeuwse bisschop van Oxford Samuel Wilberforce and Darwins bondgenoot Thomas Henry Huxley, waarin de slecht geïnformeerde bisschop Huxley beschimpte en Huxley reageerde met een vernietigende repliek. Echter, de uitgeschreven tekst van de British Association laat zien dat de woordenwisseling nooit heeft plaats gevonden. Darwins vriend Joseph Hooker constateerde dat Huxley niet op de argumenten van Wilberforce was ingegaan.
Copernicus is nooit door de kerk vervolgd. De vrijdenker Bruno kwam (erg genoeg) op de brandstapel terecht vanwege “ketterse’ opvattingen over de drie-eenheid. Voor de 20ste eeuw van Hitler en Stalin is er maar één wetenschapper van naam op last van de overheid geëxecuteerd: Lavoisier, een vroom katholiek en wel op bevel van de Jacobijnen.


Deel IV - Het godsbewijs uit de schepping
Hoofdstuk 11: Een universum met een begin: God en de astronomen.
D’Souza gaat na in hoeverre de moderne wetenschap de bewering dat God bestaat, ondersteunt of ondermijnt.
Volgens de huidige inzichten heeft het heelal een begin gehad, de oerknal. Let wel: voor de oerknal was er geen tijd, geen ruimte en bestonden er geen natuurkundige wetten zoals wij die nu kennen. Wetenschappers waren geschokt door deze uitkomsten. Drie astronomen kwamen halverwege de vorige eeuw met de mogelijkheid van een stabiel heelal: Het werd indertijd enthousiast door de wetenschappers ontvangen, maar heeft onder invloed van nieuwe gegevens weer het loodje gelegd.
De Bijbel gaat uit van een begin: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Joden en christenen geloven al heel lang dat God tegelijk met het heelal ook ruimte en tijd schiep.
De Bijbel is geen wetenschappelijk handboek.
Kort en goed: 1. Alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak, 2. Dus heeft ook het universum een oorzaak en 3. Die oorzaak noemen wij God. Wij noemen die oorzaak God omdat Hij, buiten ruimte en tijd staande, die geschapen kan hebben.


Hoofdstuk 12: Een designerplaneet: de speciale plaats van de mens in de schepping.
Copernicus stelde dat de zon en niet de aarde het middelpunt van ons planeten/zonnestelsel is. Daarmee is de mens een bijzondere plaats in de kosmos ontzegd. Immers, er kunnen wel miljoenen zonnen met aarde-achtige planeten zijn met een soort van intelligent leven erop.
Voor de grote wereldgodsdiensten, met name het jodendom, het christendom en de islam, is de bijzondere positie van de mens een essentieel geloofsartikel. Volgens die opvatting is het heelal zelfs gemaakt juist met het oog op de mens.
Om het heelal een voortbestaan te kunnen geven moesten zes essentiële natuurconstanten precies die waardes hebben, die ze in feite hebben.
Waarom precies dit heelal. Er zijn wetenschappelijke theorieën over: (1) stom toeval: de astronoom Smolin: ‘de kans daarop is 1 op 10 tot de macht 229. (kortom: nul). (2) het Multiuniversum: er zijn veel heelallen en wij leven in dat heelal dat aan de voorwaarden voor ons ontstaan voldoet. Echter, voor deze theorieën is geen enkele experimentele evidentie.


Hoofdstuk 13: Paley had gelijk: evolutie en het godsbewijs uit de schepping.
Is de natuur ontworpen of spontaan ontstaan?
Volgens evolutiebiologen is het laatste het geval. Echter, in ogen van velen is het atheïsme onder mom van wetenschap. Er werden rassenverdeling, immigratiewetten en gedwongen sterilisatie mee verdedigd.
De bijbel zegt dat het universum uit het niets geschapen werd, maar de mens werd geschapen uit bestaande stof: ‘Stof ben je en tot stof keer je terug’ Afstamming via primitievere diersoorten is hiermee niet in tegenspraak.
Hindoes, joden en moslims hebben nooit een probleem gehad met de evolutietheorie, omdat zij hun scheppingsverhalen altijd als gelijkenissen hebben opgevat.
Sommige christenen omhelzen evolutie als de manier waarop God te werk gegaan was. Darwin vond dat een hele mooie interpretatie.
De tegenbeweging van Intelligent Design stelt dat het leven en het ontstaan van soorten te ingewikkeld is om door evolutie te kunnen ontstaan Hooguit is er sprake van micro-evolutie (aanpassingen binnen een soort). Maar D’Souza: ‘de evolutietheorie levert de beste en meest overtuigende verklaring voor onze oorsprong’. Echter, evolutie als verklaring te gebruiken in de psychologie, de ethiek, de politiek en de godsdienst gaat de grenzen van het bewijsmateriaal ver te buiten. 
Er zijn drie hoofdkenmerken van het leven waar de evolutie geen licht op kan werpen:
  1. Het bestaan van het leven als zodanig
  2. Het bewustzijn
  3. Moreel besef en het vermogen om in te zien dat iets waar is
     
Hoofdstuk 14: “Het probleem Genesis: het methodologisch atheïsme van de wetenschap”.
Een probleem van de moderne wetenschap lijkt te zijn het idee dat de wetenschap volledig en afdoende inzicht geeft in de mens en het universum, zodat onwetenschappelijke beweringen zonder meer verworpen moeten worden. Dit nu is in hoge mate irrationeel. Maar wetenschappers zien zichzelf graag als redelijke mensen.

Et zijn in de wetenschap twee soorten atheïsme actief:
(a) het methodisch atheïsme: natuurwetenschap stelt zich alleen tevreden met materialistische verklaringen omdat dat eigen is aan de natuurwetenschappen, en
(b) het filosofisch atheïsme is antitheïstisch: er is geen kennis dan natuurwetenschappelijke kennis, alles wat bestaat, is materie.
De moderne wetenschap is ontworpen om een ontwerper uit te sluiten; elk bewijs voor het bestaan van God wordt a-priori verworpen. Het filosofisch atheïsme is bekrompen en dogmatisch omdat het zich afsluit van kennis die niet strookt met het materialisme en naturalisme. Theïsten zijn ruimdenkender en redelijker.


Deel V - Christendom en Filosofie
Hoofdstuk 15: De onzienlijke wereld: Kant en de grenzen van de rede.
De veronderstelling van veel wetenschappers is dat hun rationele, wetenschappelijke benadering hun volledig toegang geeft tot de werkelijkheid buiten henzelf.
De grote wereldreligies zeggen echter dat er twee niveaus van werkelijkheid zijn: de ervaringswereld (dus zoals de wereld op ons overkomt), en de transcendente werkelijkheid, d.w.z. zoals de dingen echt zijn (of religieus gesproken: zoals God ze ziet). In de Kritik der reinen Vernunft laat Kant zien dat de mens de werkelijkheid alleen kan kennen door zijn zintuigen, maar we kunnen niet weten of het beeld van de zintuigen de volle werkelijkheid weergeeft: ‘Das Ding an sich, können wir nicht kennen”. Daardoor kan de mens alleen maar de wereld leren kennen zoals die zich aan ons voor doet; niet zoals hij echt is. Dat die wereld er is, hoeven we niet te betwijfelen; zonder die wereld hadden we er ook geen zintuiglijke ervaring van.
De rede gebruikt onze zintuiglijke informatie als bron om iets over de werkelijkheid te kunnen zeggen. Daardoor functioneert de rede dus ook binnen de kenmogelijkheden van de zintuigen en die is beperkt. De rede is dus ook beperkt.
De atheïst staat te kijk als dogmatisch en aanmatigend, de godsdienstige mens blijkt bescheiden te zijn en redelijk.


Hoofdstuk 16: ‘In de buik van de walvis: waarom wonderen mogelijk zijn’.
Wonderen: maagdelijke geboorte, water veranderen in wijn, opstanding uit de dood. Het christendom is de enige wereldgodsdienst die staat en valt met wonderen.
Moderne wetenschappers kunnen niet met wonderen leven. Theologen hebben wel geprobeerd de wonderen tot mythen te verklaren.
David Hume (18de eeuw) stond sceptisch tegenover de mogelijkheid van menselijke kennis. Kant heeft aangetoond dat ook uitspraken die hun waarheid aan zichzelf lijken te ontlenen, dat in feite niet doen. Voor alle wetenschappelijke uitspraken geldt, dat ze niet voor 100% zeker zijn.
In die onmogelijkheid met 100% zekerheid te kunnen voorspellen dat de dingen altijd zullen gaan zoals de “natuurwetten” voorspellen, schuilt de ruimte voor wonderen die aan God toe geschreven kunnen worden omdat die boven de natuurwetten staat (zie hoofdstuk over de oerknal).
Wonderen zetten de normale gang van zaken op z’n kop. Daar zijn ze ook voor bedoeld; zo wordt de aandacht gevestigd op iets wat buiten door ons beheersbare werkelijkheid valt.


Hoofdstuk 17: ‘De weddenschap van een scepticus: Pascal en de redelijkheid van het geloof.’
Is het redelijk te geloven, dat is hier de vraag. Welnu, uit het volgende moet duidelijk worden dat geloven juist de enige manier is om waarheden te ontdekken die buiten het gebied van de rede en de ervaring liggen.
Toch nemen we vaak beslissingen op grond van geloof omdat ‘het systeem werkt’. B.v., we geloven dat Papoea-Nieuw-Guinea bestaat, en het vliegtuig landt inderdaad veilig. Welnu, geloof doet ook wat het moet doen: mensen vertrouwen op de onzichtbare God, omdat zij God als betrouwbaar ervaren.
Buiten de empirie liggen de antwoorden op de levensvragen: waarom zijn we hier? Is dit leven alles?, wat gebeurt er als we doodgaan? Geloven is dus niet gebaseerd op empirische kennis, maar is een uitdrukking van vertrouwen, d.w.z dat iets wat je niet zeker weet, waar is. Een christen gelooft hoewel hij geen zekerheid heeft, terwijl de ongelovige weigert te geloven omdat hij geen zekerheid heeft. Maar het gebrek aan zekerheid hebben ze gemeen.Waar de rede stopt, gaat het geloof verder.
Pascal’s stelling is dat de mensen moet kiezen, gokken zelfs: God bestaat en jij gelooft; dan zit je goed. Bestaat God niet, en jij gelooft toch dat Hij bestaat, dan heb je niets verloren.


Deel VI - Christendom en lijden
Hoofdstuk 18: De inquisitie herbezien: de aangedikt misdaden van het christendom.
Een moderne beschuldiging aan het christendom is dat het niet alleen irrationeel is, maar ook kwaadaardig:
De herziening:
1.                  de Kruistochten
 Het Midden-Oosten was ooit overwegend christelijk, maar de legers van Mohammed veroverden de hele regio. Tenslotte sloegen de christenen terug in oorlogen: de Kruistochten. Die waren niet erger dan andere oorlogen in die tijd.

2.                  De inquisitie
De inquisitie oefende slechts gezag uit over christenen en had het zeker niet specifiek op joden voorzien. De processen verliepen vaak eerlijk en het totaal aantal terechtstellingen wordt geschat op 1550 – 4000 over een periode van 350 jaar.
3.                  De heksenprocessen
Historische bronnen geven aan dat er ongeveer 100.000 slachtoffers waren; veel, maar aanzienlijk minder dan vaak wordt aangegeven.
4.                  De 30-jarige oorlog
Wat begon met religieuze conflicten, werd een strijd om politieke macht.
5.                  Noord-Ierland
De strijd daar ging vooral over autonomie en macht. De strijd ging nooit over geloofszaken.
6.                  Israël en de Palestijnen
Het conflict was nooit godsdienst-inhoudelijk: het gaat over land en economie.
7.                  De Balkan, Irak en Sri Lanka
Ook hier geen conflicten over religieuze thema’s, maar over grond en macht.
In de moslimwereld vormt geweldpleging om godsdienstige redenen nog steeds een ernstig probleem. Maar voor christenen behoort de tragiek van gewelddadig optreden omwille van hun godsdienst gelukkig tot een ver verleden.


Hoofdstuk 19: Bevoegd om te doden: het atheïsme en historische massamoorden.
Wat hebben de atheïsten er in de geschiedenis van gemaakt? De drie bekendste atheïstische regimes, de Sovjet-Unie, maoïstische China en Hitlers Duitsland, hebben samen ca. 100 miljoen moorden (gesneuvelde soldaten dus niet meegerekend) op hun geweten. En dan zijn ‘kleinere’ atheïstische regimes (Cambodja onder Pol Pot, Albanië onder Hoxcha, Roemenië onder Ceausescu, Cuba onder Castro, Noord-Korea onder Kim Jong-II) niet meegerekend.
Waren die regimes echt atheïstisch? Welnu, de communistische regimes hebben het tot kern van hun ideologie gemaakt Het nazisme vond de kerken een sta-in-de-weg. Hitlers antisemitisme was niet religieus van aard, maar raciaal.


Deel VII - Christendom en moraal
Hoofdstuk 20: “Natuurwet en goddelijke wet: de objectieve grondslagen van de moraal”.
De afkeer tegen het christendom is vooral gericht tegen de christelijke moraal die als willekeurig, autoritair of zelfs wreed gezien wordt.
Wat is moraal: een universeel stel voorschriften of een verzameling soepele regels die een vreedzame coëxistentie moet bevorderen? Het vrijheidbeperkende karakter van moraal roept protest op.
Alle culturen hebben een vorm van moraal (het onderscheid tussen ‘wat is’ en ‘wat behoort te zijn’) die ook in grote lijnen overeenkomt.
De moraal is dus universeel, en dat is tegelijk een krachtig argument voor het bestaan van God: God bepaalt uiteindelijk wat goed is.
Altruïsme zou in werkelijkheid geprogrammeerd zijn in onze genen; we worden er zelf beter van. Dat geldt voor het wederzijdse altruïsme. Maar ouden van dagen helpen, bloed af staan t.b.v. onbekenden, ‘uw vijanden lief te hebben’? daar weten evolutiebiologen geen raad mee.
Verzaken we aan de moraal, dan spreekt het geweten, dat een permanente gids en een persoonlijke morele leermeester is. C.S. Lewis: ‘het geweten is niets anders dan de stem van God in onze ziel’.


Hoofdstuk 21: “Het spook in de machine: waarom de mens meer is dan materie”.
Is het geweten een illusie? En de ziel een fictie? Zijn we alleen hersenen, bloed en organen? Is de mens een intelligente robot, een geavanceerde computer?
Immers, hoe kunnen geluk en deugd iets zijn wat ‘we zelf bepalen’? De persoon is zich ergens van bewust, de hersenen denken niet, ik denk. Net zoals ik tennis m.b.v. mijn handen en m’n racket, zo denk ik m.b.v. m’n hersenen. We ervaren ons leven als een eenheid, wat ook een argument tegen een al te materialistische verklaring.
Natuurlijk, de mens is (ook) een verzameling moleculen, maar zoals het werk van Shakespeare meer is dan een verzameling woorden, de zo is de mens meer dan een verzameling moleculen.
Vrije wil een illusie? Kant concludeert uit het bestaan van de moraal tot het bestaan van de vrije wil: als we geen keus hadden, was er geen moraal.
Inderdaad, het lijkt bizar dat er één soort schepsel is dat bij machte is in strijd met de (biologische) natuurwetten te handelen. Maar er is inderdaad zo’n schepsel, en dat zijn wij.


Hoofdstuk 22: “Het oppermachtige ‘ik’ als scheidsrechter in morele kwesties”
Er zijn mensen die in zichzelf een ‘hoger ik’ ervaren dat een eigen moraal schept. Deze nieuwe moraal, is liberaal, vrijzinnig en seculier. Het uiteindelijke doel van ons leven is zelfontplooiing. Deze moraal bevordert individualiteit en maakt je onafhankelijk. Deze ethiek luistert naar de stem van het gevoel, niet zozeer naar die van de rede. Maar de seculiere moraal weet geen weg met onze zelfzuchtige kant. De evolutiepsychologie laat zien dat achter schijnbaar genereus gedrag, motieven van zucht naar aanzien en streven naar zelfhandhaving zitten.
Traditionele normen worden gezien als normen die van buitenaf eisen aan ons stellen, b.v. door de natuur zelf. De traditionele ethiek is objectief en stelt dat bepaalde daden goed of slecht zijn, ongeacht iedere bewering van het tegendeel. Het beroemdste voorbeeld zijn de Tien Geboden.
Christenen vinden dat de mens verdorven is en een zondige natuur heeft die slechts vernieuwd kan worden door de genadige God. Het geweten is de onpartijdige toeschouwer die ons in morele kwesties de weg wijst. Zo zijn we in staat uit te stijgen boven de dingen die ons een goed gevoel geven, en te doen wat goed is.


Hoofdstuk 23: “Het opium van de immorele mens: waarom het ongeloof zo aantrekkelijk is”.
Atheïsten hebben ook een voorkeur voor een universum zonder God.
Het atheïsme is natuurlijk nogal troosteloos en atheïsten zien zichzelf dan ook als karaktervolle types die moedig de koude nacht trotseren. Want zonder God is de mens vrij is om uit eigen beweging solidariteit, naastenliefde en ironie te beoefenen.
Het atheïsme vormt een schuilplaats voor hen die hun zonden niet willen toegeven en er geen berouw over (willen, HK) hebben.
Een zelfgemaakte moraal zet de deur open voor alles wat ons goed uitkomt: seks voor het huwelijk, voorbehoedmiddelen, ongewenste zwangerschappen, en abortus.
Al met al verklaart D’Souza het moderne protest tegen geloven in God als een signaal van een knagend geweten. Voor atheïsten is God zowel onzichtbaar als ongewenst. Daaraan staan ook gelovigen bloot. Het kwaad dat we privé aanrichten, b.v. met ons egoïsme, onze ontucht en onze trots, willen we graag ongemoeid laten. We hebben geestelijke genezing nodig maar willen er niet aan.


Hoofdstuk 24: “Het probleem van het kwaad: waar blijft het atheïsme wanneer ons onheil overkomt?”
De vreselijke dingen die in de wereld gebeuren zijn een probleem voor ongelovigen en een serieuze belemmering voor het geloof in de bijbelse God.
Ook voor atheïsten vormen kwaad en lijden een formidabele uitdaging, want het atheïsme biedt geen troost.
De religie maakt onvermijdelijk lijden gemakkelijk en toepasselijk.
Ook de goede Job krijgt uiteindelijk niet meer dan de berisping waar hij het recht vandaan haalt om zijn schepper te bekritiseren.
Maar als God in zou grijpen, maakt hij van ons robots. God gaat een andere weg, zeggen christenen, in Jezus lijdt God mee met de mensen en overwint het.
Maar het ‘natuurlijke’ kwaad? Waarom treft dat kwaad goede mensen. Welnu, volgens het christendom zijn er geen goede mensen.
Uiteindelijk blijft het kwaad een raadsel. Ons rest slechts het kwaad niet met kwaad te bestrijden. Dan heeft het kwaad ons niet definitief in de greep.

Deel VIII - het christendom en u
Hoofdstuk 25: “Jezus te midden van andere goden”, waarom het christendom uniek is’.
In het Westen denken velen dat de verschillende godsdiensten even zovele gelijkwaardige wegen naar God zijn.
Elke godsdienst is een poging een antwoord te vinden op de vraag hoe de mens voorbij kan komen aan de vraag waarom we nog steeds niet in harmonie met elkaar leven. De mens hanteert daarbij hoge normen, maar het lukt hem niet daaraan te beantwoorden: hij weet wel wat goed is, maar hij wil het niet doen. Alle godsdiensten lijken het daarover eens te zijn. En religies geven aan hoe God dan toch te bereiken is.
Het christendom belijdt dat de mens God niet kan bereiken, maar dat God is afgedaald naar de mens in Christus. Dat doet het christendom op basis van drie kernaannames: (1) de mens is van nature zondig ( (2) de mens draait op voor de gevolgen, dat is de dood en (3) we worden gered door de genade van God, d.w.z. dat Hijzelf de straf gedragen heeft in de kruisiging van Christus.
In het boeddhisme redt de mens zichzelf door meditatie en het uitschakelen van het eigen ik. In het jodendom en de islam redt de mens zich door te voldoen aan de godsdienstige plichten: vijf maal per dag bidden, naar Mekka gaan, een lam of een geit offeren, je laten besnijden.
Voor ons mensen zit er ook de moeilijkheid in dat we onze trots en autonomie op moeten geven: je moet God dienen zonder dat het leidt tot iets waarop je jezelf kunt beroemen.
God wijst de atheïst niet af, maar hij wijst God af; de poorten van de hel gaan van binnenuit op slot.
We worden christen als we aanvaarden dat Christus gestorven is om ons te redden, om mij te redden. Dus als we ons leven in verval zien raken, dan zegt Christus: ‘Heden zult ge met mij in het paradijs zijn’. Dat maakt het christendom uniek.


Hoofdstuk 26: ‘Een voorsmaak van de eeuwigheid: hoe het christendom uw leven kan veranderen’.
Moeten we het christendom aanvaarden? Het zou onze plannen in de war kunnen sturen en ons leven kunnen ontregelen. Het zou ook voordelen kunnen hebben....
Je aanvaardt dan een leer, maar ook een persoon. Welk belang boezemt Christus ons in in onze onttoverde wereld.
Wij herkennen wij hem onmiddellijk als hij in de Evangeliën aan het woord is: Vergeef ons onze zonden gelijk ook wij....’, ‘enz .....’. We hebben meer bronnen over Jezus dan over Socrates, Alexander de Grote en Julius Caesar. Maar is de opstanding, de kern van het christendom, geloofwaardig? Nou, de leerlingen hadden het niet verwacht en Paulus beroept zich op 500 ooggetuigen; kunnen zoveel mensen zich collectief vergissen?
Wie de Evangeliën op zichzelf betrekt, komt tegen dat er eisen aan je gesteld worden. Maar een van de lastige punten voor moderne mensen is Christus’ claim op goddelijkheid. Christus zegt: ‘De Vader en ik zijn een’.
Wat heeft het geloof te bieden? Welnu, het geloof werpt licht op wat onze ervaring te boven gaat, het zin en doel aan ons leven: het doet er toe wat je doet en wat je nalaat. In het geloof kunnen onrecht en lijden verdragen worden, het geeft ons het besef dat we niet alleen zijn, en het komt onze angst voor de dood tegemoet. Het zet ons aan een beter mens te worden door te dienen.
Als slechte mensen goede dingen doen, dan is er godsdienst in het spel.
 
 

Vieringen

Zondag 12 februari

Schoolkerkdienst
Voorganger: ds. Jetty Scheurwater
Aanvang 10.00 uur
Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal

 
Zondag 19 februari

Voorganger: ds. Erik van Halsema
Aanvang 10.00 uur
Avondmaalsviering
Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal

 
pkn-logo_kleur.png