Lezing:
Exodus 3: 1-8Lezing:
Marcus 1: 29-39 De God die ons in de bijbel tegemoet komt is niet een God die afstandelijk op een Olympus-berg blijft zitten, maar één die zich verbindt met mensen, en daaraan zelf ook verandert. De dingen die met mensen gebeuren dóen God iets.
Dat is wat op deze zondag voor het werelddiaconaat in het verhaal over Mozes bij de brandende doornstruik opvalt: hoe persoonlijk en mensvormig er hier over God gesproken wordt.
Het meest duidelijk is dat als de verteller vertelt hoe God bewogen is met het lot van het slavenvolk. Er staat het volgende:
'
Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er aan toe is
Ik heb gehoord hun jammerklachten.
Ik ken hun lijden.'
Deze God die tot Mozes spreekt voelt de ellende van mensen in zichzelf, in zijn eigen gemoed.
'Ik zag, ik hoorde, ik ken' staat hier over Israëls God.
Zo openbaart God zich, heel persoonlijk, in een drieslag. Het is qua vorm dezelfde drieslag als in de beroemde spreuk van een Romeins veldheer die zei: 'ik kwam, ik zag, ik overwon', maar de inhoud is gans anders: 'ik zag, ik hoorde, ik ken'.
In dit centrale verhaal uit het eerste testament hebben we dus het beeld van een bewogen God, een inlevende God. Een God met empathie.
Daar wil ik straks verder met u over nadenken. Maar eerst moeten we maar eens stilstaan bij een levensgrote vraag die door dit verhaal opgeroepen wordt: kunnen we dit persoonlijke spreken over God nog wel meemaken? Hier leven veel vragen over, ook in ons midden. We kunnen niet doen alsof die vragen er niet zijn. Laten we eens diep in ons eigen hart kijken: hebben wij ook soms niet iets van een agnost in onszelf? Iemand dus die er uiteindelijk het zwijgen toe doet?
Vorige week op de catechese heb ik aan een groep twaalf- en dertienjarigen uitgelegd wat een 'agnost' is, en ik heb er een klein stukje college bij gegeven. Dat herhaal ik hier vanaf deze plek.
Ik heb uitgelegd dat je in ons land vier verschillende groepen kunt onderscheiden als het gaat om de godsvraag.
De eerste groep is die van de atheïsten. Dat zijn zij die ontkennen dat er een God is. Daarmee is de kous dan af.
Dan is er de grote groep van de agnosten. Daar ligt het iets ingewikkelder. Het zijn de mensen die stellen dat je strikt genomen niet kunt weten of er een God is of niet. Een agnost houdt het bestaan van God principieel open maar durft er tegelijk niets over te zeggen. Je weet het niet.
Nog veel groter is tegenwoordig de groep van de 'ietsisten'. Dat is een woord dat nog niet zo lang geleden is ontstaan.
Een 'ietsist' is iemand die zegt: 'er zal wel iets zijn'. Je weet niet hoe of wat, maar er moet toch wel iets zijn, daarboven. Een 'ietsist' neemt dus wel het bestaan van een hogere macht aan, maar vult dat verder niet in.
En tot slot is er de groep van de gelovigen. Ze zijn er in velerlei variatie, van allerlei snit en gezindte. Ze zijn er in christelijke en niet-christelijke variant.
Het is alleen in de laatste groep dat er gesproken wordt over een God met persoonlijke trekken.
Een God met een ik.
Een God die jou aan kan spreken.
Een God tot wie je je wenden kunt, in gebed, in lofzang, in stilte.
Jezus geeft aan deze God de benaming 'Abba', dat is een persoonlijke en uiterst innige manier om God als
Vader aan te spreken.
In ons tekstgedeelte uit Markus lezen we dat Jezus de stilte en de eenzaamheid opzoekt om daar te bidden. Hij zoekt daar deze persoonlijke God, deze Vader.
Het is in deze vroeg-christelijke tekst volkomen vanzelfsprekend dat God persoonlijke trekken heeft. Het hoeft niet nader uitgelegd te worden. Maar in onze tijd ligt dat anders. Er doen nu andere, heel abstracte godsbeelden de ronde: bijvoorbeeld God als 'energie'. Of God als een 'krachtenveld van mogelijkheden'. Of het beeld van een soort 'super-computerprogramma' dat de kosmos bestuurt. Al dat soort beelden kom je tegenwoordig tegen in romans, in de krant, in theologische lectuur.
Dat soort beelden zijn weliswaar spannend, en geven te denken, maar je wordt er toch niet echt persoonlijk door geraakt.
Willen we werkelijk geraakt worden dan zullen we God in ieder geval niet als mínder persoonlijk dan wijzelf voor moeten stellen. Zou God minder een 'ik' hebben dan wijzelf? Zou God minder zijn dan wij in gevoelens?
'Maar', zal iemand tegenwerpen, 'het is niet voor niets dat velen afscheid hebben genomen van een persoonlijke God. Want dat vulden we op primitieve en misverstandwekkende manier in met het beeld van een oude man met een witte baard in de wolken. Of het werd vanzelfsprekend louter mannelijk ingevuld: God kon alleen maar een 'hij' zijn, nooit een 'zij'. Maar als God een Vader is, dan mogen alle vaders zich een beetje als God gedragen'. Juist om dat te vermijden is het beter, zo zegt men dan, om God met onpersoonlijke beelden te benoemen. God als de 'grond van het bestaan' bijvoorbeeld. Of God als een kracht. Of we houden het bescheiden bij God als geheim, God als mysterie. En verder doen we er het zwijgen toe, uit respect voor het anders-zijn van God, en uit angst dat mensen aan de haal gaan met de te menselijke beelden die we voor God gebruiken.
Maar houden we het werkelijk vol zonder persoonlijke beelden? Is er nog echte warmte te vinden als we God niet meer in persoonlijke beelden mogen vatten? En kan er achter al die persoonlijke beelden echt niet iemand zitten die een echt persoon is, iemand met een 'ik'?
Maar hoe weten we dat? Is de positie van de 'ietsist' niet veel plausibeler?
De 'ietsist' heeft iets opgesnoven van een groter geheim. Die beseft ook dat er meer in ons leven is dan geld en goed, dat er meer is dan geboren worden, eten slapen en vrijen, en dan sterven en terugkeren in het niets waaruit je te voorschijn bent gekomen. Een ietsist kent ook de verwondering! Waarom is er niet veeleer niets dan iets? Waarom zijn de dingen er? Waarom ben ík er? Is het mens-zijn, is de hele prachtige schepping om ons heen alleen maar een 'schitterend ongeluk'? Dat kan toch niet? Er moet toch iets meer zijn? Er moet toch wel iets zijn?
En toch:
de Joods-Christelijke traditie waarin wij staan gaat verder dan God als 'iets'. Mensen hebben God ervaren als een 'iemand', die je mag aanspreken als een 'Gij' of een 'U' of een 'jij'.
Door de eeuwen heen hebben mensen de ervaring opgedaan dat ze in hun eigen leven God als een 'Gij' kunnen ontmoeten. Een mysterie met een eigen 'ik' die uit liefde uit diens verborgenheid treedt, en in relatie met ons wil treden, zich kenbaar wil maken aan mensen.
Laten we eens die sprong van het geloof wagen, en er op vertrouwen dat er achter al die persoonlijke beelden inderdaad een God is wiens persoon bepaald wordt door hartstocht voor gerechtigheid en door liefde. Want zo wordt deze God ervaren en geschetst in Eerste en Tweede Testament.
Deze God blijft niet onbewogen langs de kant staan, maar engageert zich met diens schepping. De God van Abraham, Isaäk en Jakob, de God van al die vrouwen en mannen, de God van Jezus Christus zelf, is een empathische God. Empathisch, invoelend, zich inlevend, zo invoelend dat de dingen die wij elkaar aandoen hem echt iets doen. Deze God is geen onbewogen beweger, iemand die de boel in gang zet en dan op vakantie gaat terwijl wij er een potje van maken.
Dit persoonlijke godsbeeld botste met het beeld dat heel veel mensen hadden aan het begin van onze jaartelling. God werd toen voorgesteld als zo eeuwig, zo hoog verheven, zo anders dan wij dat hij alles kon, behalve zich inleven. Want dan zou God kwetsbaar zijn in zijn gevoelens. De ware God moest een apathische God zijn: een God die niet lijden kan. Hij kon per definitie geen echte gevoelens hebben, want wie emoties voelt, heeft ergens een tekort, en God kan toch nergens een tekort aan hebben?
Als je dat voor ogen houdt zie je wat een revolutie het godsbeeld van de joods-christelijke traditie is. De God van Israël, de Vader van Jezus Christus is geen onbewogen beweger, maar een God die werkelijk meelijdt met het lijden van zijn schepselen: 'Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er aan toe is. Ik heb gehoord hun jammerklachten. Ik ken hun lijden.' Alleen van een God die in-het-vlees-geworden is kan dat gezegd worden. Deze God is niet te hoog verheven om af te dalen naar de barakken van de slaven. Zijn eer zit niet in het ver weg in de hemelen zetelen met een engelenkoor veilig om zich heen. De eer van God is het tot bestemming brengen van zijn schepping, het stichten van het koninkrijk van recht en gerechtigheid, het verheffen van mensen die laag zijn.
En daarom vieren we ieder jaar zondag van het werelddiaconaat. Om ons te oefenen in de empathie voor de geslagen mensen, ver weg, in Sierra Leone of waar dan ook. Want God zelf is zich in ons in gaan leven, en roept ons van dag tot dag om ook dat koninkrijk te zoeken. De brief aan de Kolossenzen noemt Jezus Christus het 'beeld van God', de icoon van God. Wil je zien hoe God zich heeft ingeleefd, kijk dan naar deze mens, zegt Paulus. Kijk hoe hij in woord en daad Gods goedheid verspreidde, en hoe hij de weg tot het einde is gegaan, hoe hij zich ontledigd heeft. En doe mee. Begin met verder te kijken dan alleen je eigen huis en familie en vriendenkring. Leef je in, in anderen. Zoals de eeuwige God die wij niet grijpen kunnen, zijn eer zoekt in het empathisch zijn voor geslagenen, en het komen tot bevrijding, zo mogen wij onze trots vinden in het er zijn voor anderen. Niet alleen dichtbij, maar ook veraf.
Wij leven uit de goede boodschap van een empathische God. Zullen wij in dat voetspoor treden?