Palmpasen, 9 april 2006
Lezing: Marcus 11: 1-11 Lezing: Jeremia 4: 19 – 5: 1 Lezing: Johannes 3: 14-18 Stel, u zou er persoonlijk bij zijn geweest, op die dag van de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem. Stel u zou mee geroepen hebben met het Hosanna, u zou takken op de weg gespreid hebben. Met welke verwachtingen en welke hoop zou u dat gedaan hebben? Waarschijnlijk toch zoiets als dat Jezus alles goed zou maken. Dat hij met dezelfde kracht waarmee hij mensen genas hij de Romeinen zou hebben verdreven. Laten we eens proberen dit gevoel van enthousiasme vast te houden. En laten we ernaast zetten de ervaring van totale ontgoocheling na de kruisiging, als Jezus is omgebracht als de eerste de beste opstandeling en hij een gruwelijke marteldood heeft moeten ondergaan. De dood van Jezus op zich was niet uniek. Helaas niet. In die eeuwen is aan talloze mensen, aan opstandelingen en aan weggelopen slaven, de kruisdood voltrokken. Het was een weerzinwekkende vorm van executie. Romeinse filosofen spraken er schande van, dat zo'n wrede dood mensen werd aangedaan. Jezus' dood was niet uniek. Hij leed niet meer dan talloze anderen. Wat zijn dood uniek maakt en zo schokkend is de geschiedenis die er aan voorafging en de hoop die dat had losgemaakt. In zijn spreken en handelen had Jezus ons voorgeleefd hoe het leven echt bedoeld is. Aan mensen die altijd de laatsten waren had hij hoop gegeven: in het Koninkrijk van God zouden zij de eersten zijn. Met kinderen, met vrouwen ging hij op een nieuwe en verrassende manier om. Hij belichaamde Gods vergeving in eigen persoon. Als dan déze prachtige, unieke mens wordt omgebracht, dan is het of God er niet meer is. Er is geen boodschap van gerechtigheid meer. Er is geen vrede tussen God en mens te vinden. Wij mensen hebben alles laten mislukken. Het koninkrijk van God, dat komt er nooit. We hebben de vrede van God niet in ons midden geduld. Het is of we zijn teruggekeerd tot vóór de eerste scheppingsdag, toen God orde begon te brengen in de chaos van de oervloed. Het is weer 'tohu wa-bohu', 'woest en ledig'. We herkennen ons in de striemende woorden van de profeet Jeremia als hij beschrijft dat het volledig mis zal gaan met het Judese land, met de stad Jeruzalem. Wat de profeet dan uitspreekt is een omgekeerd scheppingsverhaal. In het verhaal van Genesis 1 ging het van chaos naar orde; licht en duisternis worden van elkaar gescheiden, net als water en land. Zo kan er bewoonbare aarde ontstaan, een plek om te wonen. Nu echter keert in de woorden van Jeremia de chaos van het woest en ledig weer terug. Luister maar: Ik zag de aarde, ze was woest en doods. Ik keek op naar de hemel, er was geen licht. Ik zag de bergen, ze beefden, de heuvels, ze huiverden. Ik keek, er waren geen mensen, alle vogels waren uit de lucht verdwenen.
Er was een scheppend woord van God nodig om uit deze woeste en doodse oervloed bewoonbare aarde te maken. Er was een nieuw scheppingswoord van God nodig om uit deze zinloze dood een bron van inspiratie en hoop te maken. 'Sta op!' sprak God. Sta op uit de dood. Wij mensen waren het die Jezus hadden vermoord. Het was God die hem riep tot een nieuw leven. Op deze zondag van palmpasen staan we al stil bij de oerbelijdenis van het christendom: 'hij leeft'. Hij is niet dood, maar leeft! Daarvan zullen we straks zingen op paasmorgen: hij is onder ons als de lévende. Alles wat er daarna gezegd wordt, alle theologische constructies die er bedacht worden, waarover men twistgesprekken en concilies belegt, alles is een uitwerking van die ene oerzin: 'hij leeft'. Hij was gekruisigd, maar meer nog: hij is opgewekt. Zonder de boodschap van Pasen was Jezus verdwenen in de mist van de geschiedenis. Wij zouden zijn naam niet gekend hebben. Hij zou slechts één van de talloze gekruisigden geweest zijn. Maar vanuit Pasen wordt er zín gegeven aan het kruis. Op allerlei manieren wordt daarvan getuigd in het Nieuwe Testament. Er was - toch! - zin te ontlenen aan deze executie. Er was een diepere logica te ontwaren in het kruis. De logica van het offer, de logica van de loskoop. Op die manier leggen de eerste christenen aan elkaar uit waarom het zo heeft moeten zijn, waarom het lijden van Christus noodzakelijk was. Ze gebruiken daarbij beelden uit hun cultuur. Maar laten we eerlijk zijn, deze beelden die voor de eerste christenen zo aansprekend waren, zijn het voor ons niet meer. Wij brengen geen offer meer in de tempel. Wij kopen geen slaaf vrij op de slavenmarkt. Hoe kan voor ons, anno 2006, het kruis weer iets van heilsbetekenis krijgen? Hoe kunnen we er zin in ontwaren? Ik wil dat hier vanmorgen doen door het te hebben over de band tussen het lijden van Christus en ons lijden. Misschien zitten er een paar zinnen tussen die u raken. Een beeld waarmee u straks in de viering van Goede Vrijdag weer extra betrokken raakt bij het lijdensverhaal, omdat het ook weer over jou, over u is gegaan. In gesprekken in onze gemeente, zowel in groepswerk als in individuele gesprekken, gaat het opvallend vaak over de zin van het lijden en de zin van de dood. Heel soms gaat het dan ook over de band tussen ons lijden en dat van Christus. Zouden we dat nog verder kunnen aanscherpen? Nog niet zo lang geleden waren er voor velen vanzelfsprekende antwoorden. Lijden werd vaak opgevat als een waarschuwing, en de dood was vanzelfsprekend een doorgangshuis naar de hemel. Tot voor kort werd ons geleerd om het lijden lijdzaam te accepteren. Het was wel ergens goed voor, bijvoorbeeld als een leerproces, een goddelijke pedagogiek. Anno 2006 leven we echter in andere sfeer. De medische wetenschap kan veel, heel veel. We accepteren onze eindigheid steeds minder. Voortdurend lees je berichten over de mogelijkheid straks om het verouderingsproces te stoppen. We kunnen misschien wel honderdvijftig jaar worden. En de tijd die we hebben moeten we zo goed mogelijk vullen. Dat kan iets gestressts geven. Vaak worden religieuze antwoorden als een vlucht beschouwd: stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. Maar wanneer gebeurt dat dan? Maar uiteindelijk wil het christelijk geloof geen vluchtreligie zijn. Er is een manier om om te gaan met het lijden die perspectief heeft. En dat perspectief vinden we bij het kruis, zo hebben velen voor ons geleerd en daar uit geleefd, al in het Nieuwe Testament zelf. Hoe kwamen ze daarbij, om juist bij het kruis een perspectief te vinden? Ze durfden dat te zeggen omdat ze Jezus niet als een geïsoleerde figuur zagen. Hun eigen leven met alle moeite die daarin gevonden werd, was voor hun een deelhebben aan het lijden van Christus. Zoals voor Jezus had gegolden dat hij geen plek had gehad om zijn hoofd neer te leggen (Lukas 9:58), zo gold dat voor hen. Ze kwamen tot de gedachte dat wie verbonden is met Jezus deelheeft aan diens lijden én deelheeft aan diens opstanding. Wie hoort bij Christus mag zo een intense verbondenheid ervaren: je eigen leed en sterven mag je begrijpen als opgenomen in het lijden en sterven van Jezus. En vanuit Pasen heb je de belofte om ook eens met hem te mogen opstaan. Zoals Paulus ergens zegt: Christus is opgestaan als eersteling. Er volgen er nog veel meer! Het gaat dus om delen in lijden én in opstanding van Jezus. Christus kan op deze manier heel dicht bij ons mensen komen. Het betekent ook een godsbeeld dat heel nabij kan worden. Want God in Christus was niet degene die het lijden veroorzaakte. God hoort niet bij de daders maar bij de slachtoffers. En het kruis is daarvoor het diepste symbool dat we hebben. Wat zou dat voor ons eigen leven kunnen betekenen? Stel dat we in ons eigen lijden inderdaad met Christus zelf meelijden, wat betekent het dan dat we ook met hem zullen opstaan? Is dat alleen maar een mystieke mythologie van lang geleden? Of is het ook iets dat in je eigen leven gevonden kan worden? Vanuit vele gesprekken in onze eigen gemeente kan ik zeggen dat het inderdaad voor velen een levende realiteit kan zijn: niet alleen meelijden met Christus, maar ook meeopstaan met hem, door pijn en moeite heen. En al gaandeweg wordt ons godsbeeld uitgezuiverd. God is niet degene die ons het lijden aandoet. Dat is een sadistisch godsbeeld. God staat niet tussen de daders maar tussen de slachtoffers. Daar zal het straks op Goede Vrijdag over gaan. Ik wil dit nog nader verduidelijken met een prachtig beeld dat de afgelopen week gepubliceerd werd. Het is het beeld van het kruis als het verdwijnpunt van een schilderij. De oude schilders prikten in hun doeken een gaatje: het verdwijnpunt. Als je goed zoekt bij deze schilderijen kun je het bijna altijd vinden. In dat gaatje plaatsten ze een pennetje om van daaruit perspectieflijnen te trekken. Alles wat ze schilderden werd geplaatst in het perspectief van het verdwijnpunt. Zouden ze dat pennetje niet geplaatst hebben dan liep het mis met het perspectief. Dan krijg je die merkwaardige middeleeuwse afbeeldingen waarin alles even groot is. Dan zou de diepte ontbreken in het schilderij. Maar zou er geen diepte zijn dan zou alles even belangrijk of onbelangrijk zijn in ons leven. Maar zo werkt het niet, gelukkig. Het leven zélf plaatst ons in perspectief. Steeds sta je op een kruispunt in je leven waarop je moet kiezen. Neem je de weg links, of rechts? En bij elke keus verdwijnt er een mogelijkheid. Op een dag word je wakker. Het schrijnt. Er prikt iets door je huid heen. Het is de nagel van de keus die niet ongedaan gemaakt kan worden, van de mogelijkheid die je niet meer hebt. Want je bent niet daar, maar hier. Maar hoe het ook prikt en schrijnt, kiezen zul je, anders kom je niet tot je bestemming. In onze werkelijkheid is er een punt waar alles samenkomt. Een gat in de werkelijkheid waarvandaan alle lijnen getrokken worden. Een punt waaraan alles zijn perspectief ontleent. Een punt dat diepte geeft. Alles wordt daar verzameld. De bestemmingen die niet bereikt werden. De wegen die we links lieten liggen ook al wisten we dat ze onze toekomst waren. De verloren liefdes. De vergeten mensen. De emmers vol met tranen. Op dat dieptepunt staat het kruis. Het is Jezus die daar hangt. Hij is niet weggelopen. Hij was bevreesd ten dode toe, maar hij is niet weggelopen. Hij is blijven staan in het verdwijnpunt. Een ijzige kou van storm is op hem afgekomen, de ijzigheid van alles wat wij hebben laten liggen en hebben misdaan. In de bijbel noemen ze dat: 'gestorven om onze zonden'. Maar hij heeft alles opgevangen. Uiteindelijk is het God zélf die alles heeft opgevangen. De bittere kou van onze mislukkingen, alles wat zijn bestemming niet heeft gehaald, alle ongerechtigheid is als een bittere kou daar neergestreken, tot het absolute vriespunt toe. Zo is God zelf in het lijden gaan staan. Slechts één macht was groot genoeg om deze kou te verdrijven, de macht van de liefde. Ik eindig met het volgende gedicht dat tevens een geloofsbelijdenis is: [Geert Boogaard, Geloven, hoe bedoel je? p. 59] Ik geloof in de Messias van Israël,
Messias in nabijheid
in de plaats zijn van anderen van ellendigen daar blijven zo lang blijven tot alle leed alle pijn alle schuld en godverlatenheid doorstaan is als een gericht. Messias is een hand afdalend op een schouder en een warme menselijke stem: 'mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven', een begin het wegwissen van een deel der tranen een deel voor het geheel ten teken dat alle smart voorbijgaat.
Gebruikte Literatuur:
- In het eerste deel van de preek is een boekje verwerkt dat in de veertigdagentijd centraal heeft gestaan in de zgn. Thomaskring, een gesprekskring van onze gemeente: Stephan de Jong, Kruis en verzoening als bron van leven. Van harte aanbevolen! Op het internet kwam ik een site tegen waarin dit boekje ontraden werd omdat het ‘vrijzinnig’zou zijn. Wat een onzin! Dan is kennelijk elke studie vrijzinnig waarin iemand probeert voor mensen van vandaag met de taal van het heden uit te leggen wat er bedoeld wordt met de oude belijdenissen. Eerder is het boekje van De Jong orthodox te noemen, als je het zonodig labelen moet. Maar dan wel in een taal die verder durft te gaan dan Anselmus.
- In het laatste deel van de preek is een column verwerkt van Jean-Jacques Suurmond, uit dagblad Trouw van 4 april 2006, getiteld 'die hangende man op het kruispunt zou wel eens het pennetje in de wereld kunnen zijn' Suurmond is momenteel de beste columnist die Trouw heeft, in ieder geval de meest originele theoloog die er ruimte krijgt. Zijn column van 4 april was te mooi om niet te gebruiken. Dat zou zijn geweest: zonde.
|