Lezing:
Jeremia 14: 7-10; 19-22Lezing:
Lucas 18: 9-14 Heel lang geleden, in de tijd van Ot en Sien, leerden kinderen op school spellen aan de hand van aap – noot – mies. Heel veel later werd het iets anders: maan – roos – vis. Maar op veel scholen gebruiken ze nu een variatie daarop. Daar beginnen ze met het rijtje: ik – maan – roos – vis. Het eerste woord dat een Nederlands kind in groep drie leert lezen en schrijven is ‘ik’. Wat krijgen ze daarmee eigenlijk te horen, op hun eerste schooldag? Je kunt daar wat over gaan zitten filosoferen, en vermoeden dat die uitbreiding van het maan- roos – vis wat minder onschuldig is dan je op het eerste gezicht denkt. Een kind dat als eerste woord ‘ik’ leert wordt bevestigd in zijn latente narcisme, zijn waan dat hij het middelpunt van het heelal zou zijn. Waar we met ‘ik’ beginnen, zal daar ooit ruimte komen voor het wij, voor het jij? Zal daar ooit ruimte komen voor het Gij met een hoofdletter?
Maar nu draaf ik vast door. Want waarom zou een gezond ego in de weg staan voor het wij, het jij en het Gij? Waarom zou je niet trots mogen zijn op een gezond zelf-vertrouwen? Waarom zou een kind niet trots mogen zijn op een door haar gewonnen medaille? Waarom zou een tiener niet mogen ontdekken dat hij of zij een eigen, unieke identiteit heeft, een eigen ‘ego’? Daar is toch niks mis mee? In de Torah [Leviticus 19:18] en in de prediking van Jezus staat het woord: ‘Heb je naaste lief als jezelf’. Dat ‘als jezelf’ is wel eens vergeten: dat je je om een ander mag bekommeren zoals je je als vanzelfsprekend ook om jezelf bekommert. De basis van een gezond omgaan met anderen is dat je stevig genoeg in je schoenen staat om ‘ik’ te zeggen. In iedere studie over de cultuurgeschiedenis van het Westen wordt juist een christelijk denker genoemd als degene die als eerste werkelijk ‘ik’ zei. Dat is de kerkvader Augustinus. In zijn beroemde belijdenissen gaat hij zijn ‘ik’ onderzoeken, met niets ontziende eerlijkheid. En dat ego met alles wat daarin is aan hartstocht, ook voor het verkeerde, dat ‘ik’ met al zijn begeerte, al zijn mislukkingen en al zijn triomfen, dat ego komt pas tot rust in de beschouwing van God, zegt Augustinus. Maar dat ik, dat mag er zijn! Zoals in de torah en bij Jezus staat: ‘heb je naaste lief zoals jezelf’.
Maar waar bevinden we ons nu, eeuwen nadat Augustinus zoals gezegd wordt als eerste werkelijk het ‘ik’ ontdekt had? Zijn we misschien wat doorgeslagen? In het verhaal van vanmorgen met die Farizeeër en die tollenaar wordt een man opgevoerd die wel erg veel ‘ik’ zegt. Op karikaturale manier tekent Jezus zijn zelfingenomenheid: Hij staat daar in de tempel, en spreekt tot zichzelf : ‘o God, wat dank ik U dat ik niet ben als al die zondaars, en zeker niet als die tollenaar!’.
Bij deze Farizeeër en zijn opgeblazenheid moest ik denken aan de term van het ‘dikke ik’ die een tijdje terug werd ingevoerd in Nederland. Dat heeft niets te maken met zwaarlijvigheid maar gaat over de manier waarop we in ons land met elkaar omgaan. Een jaar of tien geleden geleden was er een filosoof in Nederland die een mooi boek schreef over de zegeningen van het individualisme [1]. Hij zag alleen maar voordelen. We hadden ons ontworsteld aan knellende banden, van gezin en buurt en kerk, en waren eindelijk vrij om onszelf werkelijk te ontplooien! Maar het kan verkeren. Want dezelfde denker schreef niet zo lang geleden een vervolg op dat boek waarin hij als een blad aan de boom is omgeslagen [2]. Inmiddels was hij heel wat nadelen om zich heen gaan zien van de vrijheid blijheid cultuur die in de jaren negentig van de vorige eeuw gangbaar was geworden. Wat hij om zich heen ziet is ‘het dikke ik’. Daar wordt dit mee bedoeld: Het dikke-ik is de burger die zich opblaast, die een zeer kort lontje heeft, die andersdenkenden minacht, zich niet wil laten corrigeren door anderen, die zelfingenomen en kortzichtig is. Mensen met een ‘dik ik’ nemen allemaal heel veel ruimte in, zelfs als ze nog geen Hummer op de stoep geparkeerd hebben. Maar als we allemaal een ‘dik ik’ gaan innemen, dan gaat het wel erg vol worden. We willen allemaal alles, niemand wil voor de ander opzij gaan, niemand wil de minste zijn. Al die mensjes met hun veel te groot, veel te dik ego komen in een eindeloze competitie met elkaar, hijgend op zoek naar de zoveelste hype en het zoveelste genot dat je niet mag missen.
Aan deze hedendaagse schets van ons Nederlanders moest ik denken toen ik die bekende gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar las. Met zijn opgeblazenheid heeft de Farizeeër een veel te ‘dik ik’, spiritueel gesproken. Hij heeft overigens ook heel goede kanten, en dat wordt maar al te vaak vergeten. Hij doet meer dan het gewone! Hij spant zich geweldig in voor de armen. Hij geeft alle tienden die hij maar kan geven. Normaal is dat je over een bepaald deel van je inkomsten tienden afstaat. Maar deze Farizeeër staat tienden van ál zijn inkomsten af. En ter ere van God en uit solidariteit met de arme vast hij niet eenmaal per week, maar wel tweemaal. Hij doet meer dan het gewone. Daar is niets mis mee. Echter: hij weet ook precies hoe God in elkaar zit: God is on our side. En daardoor wordt zijn bidden en zijn manier van omgaan met God een karikatuur. Hij spreekt namelijk een dankgebed uit aan het adres van God dat hij niet is als al die andere slechte mensen. Maar is dat bidden? Dit is niet echt een dankgebed voor Gods goedheid. Dit is een en al kramp. Die Farizeeër zegt zo nadrukkelijk dat hij blij is met zijn recht staan voor God, dat de twijfel en de kramp er al in doorklinkt. Als je werkelijk zeker bent dat je recht staat voor God, dan hoef je dat niet zo in het openbaar te uiten in de tempel of in de kerk, en je hoeft je al helemaal niet te vergelijken met anderen die zo ver nog niet zijn. Met zijn dankgebed ontmaskert de Farizeeër zichzelf.
Hoe passen wij deze gelijkenis toe op onszelf? De Farizeeër dankt God dat hij niet zo is als al die zondaars. Wij hebben de neiging om de gelijkenis zo toe te passen dat we zeggen: ‘God, we danken u dat we niet zijn als al die Farizeeërs!’. Maar daarmee maken we er ons net zo gemakkelijk van af als die Farizeeër. Want ook in ons dreigt de trots van: ‘God, ik dank U dat ik niet ben als al die mensen die U verlaten hebben; of: dat ik niet ben als al die hedonisten die er maar op los leven; of: God, ik dank u dat ik tenminste een brave burger ben die keurig zijn treinkaartje betaalt en eerlijk zijn belastingaangifte invult. Maar dan zijn we toch net zo als die karikaturale Farizeeër uit Jezus zijn gelijkenis? Dan zijn we toch net zo krampachtig en zelfingenomen?
Wat aan de Farizeeër uit de gelijkenis ontbreekt is de verwondering dat hij er mag zijn voor Gods aangezicht. En wat mis aan hem is, is dat hij zich vergelijkt met anderen en daarmee op Gods rechterstoel gaat zitten. Op precies dezelfde manier kan het ons ontbreken aan de verwondering dat we, ook al zijn we gebroken en falende mensen, toch mogen staan voor Gods aangezicht. En op precies dezelfde manier kunnen ook wij in de kramp terechtkomen van onszelf met anderen vergelijken. Het luistert hier heel nauw. Als de gelijkenis onbekommerd leest dan keer je je natuurlijk af van de Farizeeër en wil je als de tollenaar zijn die zich tenminste bescheiden opstelt tegenover God. Dat is hoe de tekst ons stuurt. Maar de grap van deze gelijkenis is dat als je wilt zijn als de tollenaar, het gemakkelijk dreigt dat je dat gaat uiten als de Farizeeër: dat je dus trots wordt op je bescheidenheid, en dan is het netto-resultaat hetzelfde. Dat is wat de geschiedenis van het orthodox protestantisme laat zien. daar ontstond de houding van: ‘O God wat ben ik blij dat ik me als een zondaar tot u mag richten en niet ben als al die anderen die er maar op los leven!’ Of je nu trots bent op je beter zijn dan anderen of trots bent op je minder zijn dan anderen, het werkt uiteindelijk precies hetzelfde uit: je blijft gevangen in een competitie van vergelijking met anderen en jij bent degene die blijft bepalen hoe God over jou moet denken. Maar dat is niet het evangelie. Het evangelie is dat God vanuit zijn vrijheid ‘ja’ tot jou wil zeggen. Maar wij bepalen niet hoe God dat precies doet. Wij hebben geen standaard om te bepalen hoe God dat doet. Als er al een standaard is, dan is dat die van de liefde. Maar wij bepalen niet hoe God die toepast. We moeten God God laten. Daar is Hij God voor. Anders hebben we alleen maar een god gemaakt naar ons beeld, een god om onze behoeften aan veiligheid en geborgenheid te bevredigen. Maar dat is niet de God van de Torah, dat is niet de God van Jezus. Die heeft de vrijheid om het te laten regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Die heeft de vrijheid om de werkers van het laatste uur net zoveel te geven als de mensen die de hele dag geploeterd hebben. Daar is Hij God voor.
Bij de tollenaar lees ik niet dat hij trots is op zijn bescheidenheid. Hij is niet trots. Niet op zijn prestaties maar ook niet op zijn falen. Hij benoemt het alleen. Hij zoekt God op in de ruimte van de tempel, in de ruimte van Zijn goedheid, en hij legt het voor aan God zelf: ‘God, wees mij zondaar genadig’. Zonder omhaal van woorden, staand alleen en naakt voor Gods aangezicht. Hij maakt zich volledig afhankelijk van Gods ja-woord, en heeft niet van te voren bepaald wat God moet doen. Maar hij verlaat de tempel, de ruimte van God, en gaat naar huis, naar zijn eigen ruimte, naar het leven van alledag van ochtend tot avond, waar je gestoord wordt door allerlei lastige kwesties, waarin je steeds weer moeilijk keuzes moet maken. Lucas vertelt: hij was degene die gerechtvaardigd was in de ogen van God. Hij gaat naar huis. Hij gaat wonen, gevonden door God. Een zee van dromen gaat in hem tekeer.