Motto: ‘Het experiment wereld’
Lezing:
Genesis 1 t/m Genesis 2: 3Lezing:
Matteüs 5: 43-45 en Matteüs 6: 26-34 Laten we eens een denkexperiment doen. Stel dat er morgen buitenaardse wezens landen op onze aarde. Ze blijken afkomstig te zijn van een op de aarde gelijkende planeet elders in onze melkweg. Ze lijken sterk op ons. Na enige moeite valt er met hen te communiceren. We dachten de enige wezens te zijn met bewustzijn, maar dat blijkt niet zo te zijn. Op dat moment moeten we een heleboel gaan heroverwegen. Is Christus ook voor hen gestorven? Waarschijnlijk gaan de theologen een groot deel van de dogmatiek opnieuw schrijven.
Misschien zitten we op dit moment ook in een dergelijke situatie, waarin heel het theologische bouwwerk opnieuw opgebouwd moet worden. Het lijkt er op dat de veranderingen in het klimaat een zo dreigende vorm kunnen gaan aannemen dat het menselijk leven zelf binnen een paar eeuwen acuut gevaar kan gaan lopen.
Kunnen we dan nog met dezelfde ogen de bijbel lezen? Kunnen we nog op dezelfde manier blijven bidden, blijven theologiseren, liturgie bedrijven? Als onze aarde, onze eigen leefomgeving, zo groot gevaar loopt, kunnen we dan nog alle oude woorden gewoon blijven herhalen?
Een paar weken geleden organiseerden we in onze kerk een avond rond de documentaire ‘an inconvenient truth’ van Al Gore. Amper een week later was Gore Nobelprijswinnaar, maar dat was slechts toeval. In deze documentaire wordt enerzijds de zeer zorgwekkende situatie op onze aarde geschetst, aan de hand van tal van beelden en grafieken. Maar aan de andere kant geeft hij ook een boodschap van hoop: het is nog niet te laat om dusdanige wereldwijde maatregelen te nemen dat de opwarming van de aarde waarschijnlijk tot enkele graden Celsius beperkt kan worden en het allemaal nog beheersbaar blijft, ook voor de generaties die na ons komen.
In die documentaire van Al Gore wordt de beroemde foto vertoond van de aardbol, in volle glorie gefotografeerd vanaf een van de apolloruimteschepen in de jaren zestig. De plaats van zon en aarde was toevallig zo dat de gehele aarde, zonder enige schaduw te zien was. Die foto sloeg in als een bom. We zagen de aarde als een schitterende blauwe bol, kwetsbaar temidden van een eindeloos koud en onherbergzaam heelal.
Sinds die foto leven wij mensen anders. Die foto veranderde onze perceptie van onze plek voorgoed. Toen we nog niet van een afstand naar onszelf konden kijken was de aarde vooral ook: moeder aarde. Weliswaar waren er ook altijd grote gevaren, maar ze was in de beleving van de meeste mensen toch vooral: moeder aarde, een plek om je geborgen te weten.
Maar sinds die foto zijn we naar een andere vergelijking gaan grijpen, waaruit een andere beleving blijkt. We bevinden ons nu op
ruimteschip aarde. Doordat we haar van een afstand kunnen zien beseffen we dat ze als een ruimteschip is. En wij zijn er op gevangen. We kunnen niet weg. De afstanden in het heelal verbieden dat definitief. We moeten het doen met wat dit ruimteschip aan voorraden heeft. Er komen geen voorraden bij, behalve dan de onophoudelijke stroom van zonlicht.
Op het ruimteschip Terra, nabij de kleine ster Sol aan de rand van slechts één van de miljoenen zo niet miljarden melkwegstelsels, daar is de wereld klein geworden.
Terwijl het heelal uitdijde tot onvoorstelbare proporties, werd de aarde kleiner. Afstanden betekenen niets meer. Alle witte vlekken op de kaart zijn ingevuld. Met het internetprogramma Google Earth kunt u zo in de achtertuin van wie dan ook kijken.
Door deze verandering van perspectief zijn we onontkoombaar gaan beseffen dat onze werkelijkheid groter is dan ons eigen straatje, ons eigen dorp, ons eigen land. Op die foto’s van de aarde vanuit de ruimte zijn ook geen grenzen te zien. Het is één groot systeem. Als ergens anders ter wereld grote hoeveelheden methaan of kooldioxide vrijkomen, waardoor het steeds warmer wordt, gaat dat ons allen aan. Als het ijs van Groenland smelt dan stijgt het peil van het zeewater zes à zeven meter, en houden we de voeten in de randstad en in Bangladesh niet meer droog. Niemand kan doen of hij het alleen wel kan redden en onafhankelijk is. Iedereen is met iedereen verbonden.
Welnu, op deze ene kleine aardbol dreigen we als mensheid zelf binnen enkele generaties het leven voor homo sapiens zelf onmogelijk te maken. We zijn bezig de tak waarop we zitten zelf door te zagen. Vanuit deze situatie grijpen we naar de bijbel, om er inspiratie op te doen voor ons handelen. Dat klinkt vanzelfsprekend maar is het niet. Er zijn miljoenen christenen die in de dingen die nu gebeuren Gods hand zien. Alle rampen, aardbevingen, orkanen en overstromingen zijn de tekenen van de eindtijd, zeggen ze. Het is allemaal zo voorspeld en daarom moeten wij als mensen er ook niets tegen gaan doen. Misschien denkt u er ook wel zo over. Maar mogen wij echt zomaar ergens de hand van God in zien? Hoe weten we dat zo zeker?
Vanmorgen kiezen we er voor om wél te proberen uit de bijbel inspiratie te halen. Ik heb er voor gekozen om dat allereerst te doen aan de hand van het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Ik wil u uitnodigen om met mij mee te denken over de relevantie van dit verhaal voor onze situatie.
‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Deze eerste zin van de bijbel, deze eerste klaroenstoot van de torah, heeft door de eeuwen heen heel veel mensen op het verkeerde been gezet. Want als onbekommerd lezer denk je dat we hier te maken hebben met een nauwkeurige weergave van wat er ooit, in een lang verleden heeft plaatsgevonden. Maar dan doen we alsof de schrijver er bij is geweest. Alsof hij een bijzondere kennis heeft gehad die verder toen niemand heeft gehad.
Maar dit eerste hoofdstuk van de bijbel is geen vertoog over het verleden. Het wil eerder iets zeggen over heden en toekomst. En het doet dat in poëtische vorm.
Dat het poëzie is, en geen wetenschappelijk betoog dat kan ieder kind al direct zien als je goed tot je laat doordringen wat er op de eerste dag van het scheppingswerk gebeurt. God schept daar namelijk het licht. En hij scheidt het van de duisternis.
Maar wat voor een licht is dat? Het is uitdrukkelijk niet het licht dat afkomstig is van zon, maan of sterren. Want die worden pas op de vierde dag geschapen!
Het begint dus met licht zonder een van de onze bekende lichtbronnen. Niet de zon, maan of sterren zijn van de eerste tot en met de derde dag de bron van het licht, maar God zelf. God zelf geeft het licht, zonder dat er een zon aan te pas komt.
Dat is een geweldige belijdenis waarmee de bijbel begint. Het ware licht, dat de duisternis overwint, het ware licht dat het verstand en harten van mensen verlicht, het ware licht dat ons openbaart hoe we werkelijk in elkaar zitten, dat komt van God.
Zo begint het scheppingsverhaal uit Genesis 1 als een bevrijdingsgeschiedenis. Scheppen is scheiden. Scheiding maken tussen licht en donker: de eerste dag. Scheiding maken tussen het water onder en boven: de tweede dag. Scheiding maken tussen zee en droog land: de derde dag. En als dat zo is, dat scheppen scheiden is, dan gaat dat nog altijd door, tot op de dag van vandaag. Waar goed en kwaad van elkaar gescheiden worden, waar waan van waarheid onderscheiden wordt, daar gaat God nog steeds door met scheppen, met bevrijden.
Pas op de
vierde dag worden zon, maan en sterren geschapen worden. Ze krijgen een belangrijke, maar eigenlijk ook heel bescheiden plek aan het firmament, als lampen voor dag en nacht. Eigenlijk is dit een typisch staaltje bijbelse humor, dat dat zo beschreven wordt. Het scheppingsverhaal stamt uit een cultuur waarin zon, maan en sterren goddelijke status hadden. Het waren goddelijke krachten die de loop van jouw bestaan bepaalden. Maar onze dichter heeft een heel andere visie: ze zijn slechts lampjes aan de hemel! Ook daarin is dit verhaal een bevrijdingsverhaal. Het verhaal zegt: laten we met z’n allen uittrekken uit het diensthuis van een cultuur waar de mens bepaald wordt door het lot van de sterren, een cultuur waar de mens de goddelijke krachten te vriend moet houden met allerlei offers. De natuur wordt ontgoddelijkt. Het wordt grond onder onze voeten, plek om te leven.
Op de vijfde dag worden de dieren van de zee en de dieren van het land geschapen. Op de zesde dag schept God dan de mens, iemand die op hem lijkt. Eerst hebben de vissen en de vogels een zegen gekregen, nu krijgt de mens ook een zegen mee. Dat is het derde element waarin het verhaal een bevrijdingsverhaal is: de schrijver ziet alles wat er is onder het voorteken van een oer-zegen. het is niet voor niets dat er steeds aan het eind van een dag staat dat God zag dat het
goed was. En als de mens geschapen is, dan staat er zelfs dat het
zeer goed was.
Zo steekt de schrijver zijn volk een hart onder de riem, want dat volk is er inmiddels wel aan gaan twijfelen of het ooit nog wel wat kan worden met de aarde en met de mensen. Tegen alle negativisme van vandaag van grote groepen mensen in ons land die dag in dag uit leven met een gevoel dat het allemaal één grote rotzooi is, vinden we hier een heel andere sfeer. We vinden hier een spiritualiteit die ons aanspoort om zonder ophouden te blijven zoeken naar de goedheid en de zegen die God er oorspronkelijk in heeft gelegd. Dat is ook helemaal in de geest van het optreden van Jezus. Hij geloofde hartstochtelijk dat mensen anders konden worden, en anders met elkaar zouden kunnen omgaan, als ze zich als een kind konden gaan toevertrouwen aan Gods goedheid. Uit zijn goedheid laat God het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zegt Jezus in de bergrede. De onrechtvaardigen denken er geen moment aan dat ze God daar wel eens voor zouden kunnen danken, maar de rechtvaardige weet wel beter. Die weet van een bron en oorsprong van de goedheid en de zegen die hij in zijn leven vindt. En die heeft ook een adres als er verschrikkelijke dingen gebeuren en je niets meer kunt dan je nood voor God klagen: ‘mijn God, waarom?’
Op de zesde dag werd de mens geschapen. Algemeen wordt gedacht dat dat het hoogtepunt van de schepping is. Dat daar alles op gericht is in dit verhaal.
Maar is dat wel zo? Met minstens zoveel recht kunnen we zeggen dat het hoogtepunt van het verhaal de
laatste dag is, de zevende. De dag waarop God rustte van al zijn werk. De dag waarop de
derde zegen wordt uitgedeeld, aan de sabbat, de stakingsdag. Door het verhaal zo te laten eindigen wordt het nog eens extra een bevrijdingsverhaal. Want de tijd wordt bevrijd. Als het aan ons ligt dan gaan we gehaast en gefrustreerd om met de tijd. In tegenstelling tot de dieren hebben we er weet van dat we sterfelijk zijn. Die kennis is een zegen maar ook een vloek. Want we krijgen een verschrikkelijke haast om alles te proberen en alles te genieten in dit ene veel te korte leven. Het scheppingsverhaal uit Genesis 1 leert ons een heel ander tijdbesef. Doordat het hoogtepunt van Genesis 1 de rust is begint de tijd met ontspanning. Het werk, soms het al te vele werk dat we verrichten, blijft staan onder het perspectief van de rust van de sabbat. Kunnen we daar misschien meer vorm aan geven in ons leven?
Terugkijkend: Genesis 1 kunnen we lezen als een bevrijdingsverhaal. De mens wordt in een groter geheel geplaatst dat hem allerlei kansen biedt. Alles mag er zijn, de dieren mogen er zijn, de mens mag er zijn, de sabbat mag er zijn.
Doordat scheppen gelijk is aan scheiden gaat het altijd door. ‘God begint een experiment’, las ik ergens. Dat beeld sprak mij aan, om zo dit scheppingsverhaal te lezen. Hij begint een experiment om te kijken of het ons kan lukken, meedoen met God in zijn scheppings- en dus ook scheidingswerk. God heeft alles goed, ja zeer goed geschapen. Er staat niet dat God alles volmaakt heeft geschapen. Dat is een misverstand dat steeds weer opduikt bij dit thema, bij al die gelegenheden dat mensen met de vinger beschuldigend wijzen naar God: had hij het niet wat beter kunnen doen? Maar het scheppingsverhaal leert ons slechts dat God genoeg heeft meegegeven om vervolgens mee te gaan doen met zijn scheppingswerk.
Dat is nu ook waar de natuur in het zicht komt. Als mens kunnen we niet anders dan bestaan in een bepaalde leefomgeving. We hebben water nodig, zuurstof, allerlei elementen uit de aarde. Om met het tweede scheppingsverhaal te spreken: wij zijn Adam uit de adamah: mens uit de rode aarde. Als we zelf die omgeving verwoesten dan verwoesten we uiteindelijk ook onszelf.
Eigenlijk wisten we dat altijd, maar we waren het vergeten doordat we ons hebben laten meeslepen door al onze technische triomfen: uiteindelijk zijn we echt aarde-mensen zijn. En dat is een gegeven dat in de hele milieudiscussie steeds weer naar voren komt: dat wij zijn wat wij zijn dankzij onze omgeving. We passen in een bepaalde omgeving van lucht en water en aarde. Daar moeten we dan ook geweldig zuinig mee zijn, om inderdaad verder te kunnen gaan met het experiment wereld. Want dat vertrouwt God aan ons toe: om verder te gaan met scheppen.
Het scheppingsverhaal van Genesis 1 lijkt op het eerste gezicht een enorm
groot verhaal. Een verhaal van kosmische proporties. Maar als we het lezen als een poëtisch bevrijdingsverhaal, dan komt dat anders te liggen. God roept nog steeds: ‘licht, kom te voorschijn’. God roept nog steeds: ‘mens, kom te voorschijn en doe mee als medeschepper van mij’. Als dat zo is, dan wordt dit grote verhaal behapbaar doordat we er allemaal op onze eigen manier vorm aan mogen gaan geven, in ons eigen kleine verhaal. Maar dan wel een eigen verhaal dat ook meteen heel belangrijk wordt. We worden mede-scheppers, we worden geroepen om ruimte te geven aan Gods licht. Geroepen om respectvol om te gaan met de plek die we hebben gekregen. Geroepen om samen met anderen te werken aan de heelheid van onze schepping.
In onze situatie van wereldwijde klimaatveranderingen en een perspectief van de aarde als een ruimteschip, een global village waarbij niemand meer alleen op een eiland kan wonen, in die situatie wordt één aspect van onze Joods-christelijke traditie nog extra relevant, dat is wat ze noemen: het universalisme van het christelijke geloof. God is de God van álle mensen. Jezus is daarvan de garantie, want in hem is het verbond met Israël open gegaan voor allen. En Gods Geest kan principieel overal en in allen werken. Er is geen plek waar de Geest van het leven niet kan komen. Aan ons is het om de roepstem van die Geest te horen, en zo creatief te worden dat de tuin die we hebben gekregen, bewaard blijft.
Deze preek is ten dele een bewerking van een lezing getiteld 'God en het milieu' die ik op 10 okt. 2007 hield voor de afdeling Hilversum van de International Christian Fellowship. In die lezing ging ik ook in op meer systematisch-theologsche vragen die echter niet geschikt zijn voor de eredienst. Daar is het leerhuis voor!
ds. Erik v. Halsema