Het sabbatsjaar - themapreek 7 oktober 2007 Afdrukken
Lezing: Leviticus 25: 1-7
Lezing: Deuteronomium 15: 1-6
Lezing: Handelingen 2: 43-47

Laten we eens een situatie nemen uit onze tijd. Het gaat om een man van begin vijftig. Hij heeft een glanzende carrière bij een groot bedrijf. Hij is een duizendpoot die alles aankan. Toch stapt hij op een goede dag het kantoor van zijn baas binnen en zegt na enkele beleefdheidsfrasen: ‘ik snak naar een sabbatsjaar’. De chef is niet verbaasd. Zij maakt dit geregeld mee. Je kunt je werknemers een jaar of twintig uitknijpen en het uiterste van ze vergen, maar dan komt eens het moment dat het op is. Mensen hebben een pauze nodig. Ze willen even in staking, nieuwe energie opdoen, even iets heel anders gaan doen, een tijdje ópademen.
Onze moeder aarde kan dit niet doen. Moeder aarde kan niet aankloppen bij de mensheid en zeggen: ‘jongens, ik ben nu wel even genoeg uitgebuit en uitgeknepen, voldoende uitgehold en uitgegraven. Ik wil even rust. Ik wil tijd voor herstel. Ik wil tijd krijgen zodat mijn regenwouden zich kunnen herstellen, zodat de berghellingen opnieuw begroeid kunnen raken en de fatale erosie een halt wordt toegeroepen, ik wil een moratorium op Co2 uitstoot zodat het evenwicht in mijn atmosfeer zich kan herstellen’. Moeder aarde kan dit allemaal niet. Ze kan niet smeken om een sabbatsjaar, om rust. Ze is afhankelijk van ambassadeurs. Ze is afhankelijk van ons.
Op deze Israëlzondag zoeken we een verbinding met ons jaarthema. We zijn gaan zoeken in de Oude Testament naar inspiratie voor onze situatie. Dan blijkt het niet zo te zijn dat er teksten zijn die direct van toepassing zijn op onze situatie. Dan kan ook niet, want een wereldwijde milieucatastrofe lag op geen enkele manier binnen het gezichtsveld van de bijbelschrijvers. Maar wel is het zo dat er een aantal noties is in het Oude Testament die je er direct bij mag halen: dat God de schepper van hemel en aarde genoemd wordt, dat de mens als rentmeester aangesteld is die verantwoordelijkheid aan zijn opdrachtgever verschuldigd is. Daar zullen we het later dit jaar nog over hebben. Vanmorgen willen we eerst nadenken over de vraag wat de torah ons leert met het gebod van het sabbatsjaar. Het is passend om dit thema vandaag, op Israelzondag centraal te stellen, want een maand geleden begon er in het land Israël weer een sabbatsjaar. Het opperrabinaat heeft weer allerlei regels uitgevaardigd om er voor te zorgen dat het ekonomische leven in Israël zoveel mogelijk ongestoord door kan gaan.
Laten we eerst eens gaan kijken naar de teksten die we gelezen hebben. Wat vertellen die ons over het sabbatsjaar? Het sabbatsjaar is allereerst een jaar waarin de velden braak blijven liggen. Als we de tekst letterlijk moeten nemen gaat het om álle velden. In het hele land wordt niet gezaaid. Het is dus iets anders dan het drieslagstelsel dat in de middeleeuwen in West-Europa werd ingevoerd. Daarbij werd een akker twee jaar achter elkaar bebouwd met verschillende soorten gewassen, en het derde jaar bleef het land braak. Zo werd in een tijd van voor de kunstmest aan het land gelegenheid gegeven weer vruchtbaar te worden. Bij dit stelsel werd het land in verschillende stukken verdeeld. Terwijl het ene stuk braak lag, stond op een aangrenzend veld de oogst. Bij het sabbatsjaar in het oude Israël gaat het er echter om dat álle akkers zonder enige uitzondering braak liggen. De commentatoren breken zich dan ook het hoofd hoe de Israëlitische boeren dat ooit hebben kunnen doen. Was het wel realistisch? In Leviticus 25 (18-22) staat dat God in het zesde jaar een dusdanig grote oogst geven zal, dat het volk het jaar daarna zonder enig probleem kan overleven. De voorraadschuren zitten immers vol, net als in het verhaal over Jozef in Egypte. Het volk kan het dus uithouden totdat in het eerste jaar na het sabbatsjaar de nieuwe oogst zich aandient. Maar de commentatoren vanachter hun comfortabele bureaustoel schudden dan meewarig het hoofd: wat een agrarisch wanbeleid! [1]
Maar dat is lang niet alles wat er over te zeggen is. We moeten dieper graven. Het gaat om de theologie achter het sabbatsjaar Als Israël het beloofde land in mag gaan, na veertig jaren in de woestijn, dan moeten ze niet gaan leven alsof het land hun eigendom is. Het land is hun gegeven. Het is een proefpolder van God, temidden van barre grond. Het is een klein stukje aarde, aan de mensen gegeven, om daar eindelijk iets waar te gaan maken van de ware vrede, de shalom.
Om dat niet te vergeten stelt God het sabbatsjaar in. Dat is een jaar van volledige afhankelijkheid. Er wordt niet gezaaid. Alles wat toch opkomt, is voor allen tezamen. Of je nu een rijke landeigenaar bent of een bedelaar, je bent allemaal precies hetzelfde want je neemt allen van wat er toch nog toevallig opkomt. Rijk en arm leven in afhankelijkheid en krijgen hetzelfde. De ouderen onder ons kunnen denken aan het beroemde tientje van Lieftinck. In september 1945, bijna een half jaar na de bevrijding, werd een geldzuivering doorgevoerd. Al het geld werd ongeldig verklaard, en iedereen mocht een oud tientje inwisselen voor een bedrag van tien nieuwe guldens. Eén week lang was iedereen in Nederland gelijk. Zo heeft ook het sabbatsjaar een nivellerende werking. Het land is van iedereen. Of je nu rijk bent of arm, je neemt van wat er toevallig nog opkomt. De idee er achter is een theologie van het land. De aarde van Israël is een geschenk. Om dat niet te vergeten wordt het land eens per zeven jaar braak gelegd, het hele land.
Als wij dit gebod met onze ogen lezen dan botst het met alles wat wij wijs en verstandig vinden. Het sabbatsjaar is immers een bewust beleid om een jaar lang ekonomische krimp in plaats van ekonomische groei te hebben. Dwazer kan het in onze westerse ogen niet. Het botst ook met al onze ideeën over arbeidsethos. Waar blijft dit jaar de nijvere boer met zijn cyclus van zaaien en wieden en oogsten? Hij zit alleen maar onder zijn vijgenboom te niksen. Maar deze invulling van het sabbatsjaar klopt met wat het eerste scheppingsverhaal ons verteld over de instelling van de sabbat. Volgens het scheppingsverhaal uit Genesis 1 wordt de mens geschapen op de zesde dag. En hij krijgt een flinke taak mee. Je ziet hem al staan te trappelen om aan het werk te gaan. De grond moet in cultuur gebracht worden! We moeten de dieren bij elkaar drijven om kuddes te vormen! We moeten wijngaarden aan gaan leggen! Maar als het dan morgen wordt, op de zevende dag, dan mag de mens nog helemaal niet aan het werk. Want op die dag moet God eerst rusten van al het werk dat hij heeft gedaan. Deze zevende dag, de sabbat, is heilig. Het is een stakingsdag, een dag van stoppen, een dag van genieten van wat je hebt gedaan en kracht verzamelen voor de week die komt. Het is de dag bij uitstek om er een autoloze dag van te maken. Het is de dag bij uitstek om juist níet te gaan winkelen, maar tijd te maken voor mensen en dingen waar je anders niet aan toe komt.

Het sabbatsjaar is niet alleen een jaar waarin de velden braak blijven liggen. Er is nog meer aan de hand. Dat zien we in de tweede lezing, die uit Deuteronomium 15. Daar gaat het er over dat in een sabbatsjaar de schulden kwijtgescholden moeten worden. Dat moet ook wel als in het zevende jaar de akkers niet bebouwd worden. Want velen zullen hun schuld afbetaald hebben met een gedeelte van de oogst. Maar als je een jaar lang niet mag oogsten kun je je schuld ook niet afbetalen. Het gaat dus om een heel nuchtere en verstandige maatregel: in het sabbatsjaar, het stakingsjaar, hoeven schulden niet afbetaald te worden. Het sabbatsjaar laat zich hier zien van zijn utopische kant. Want we weten dat het niet zo gegaan is. Ook in Israël ontstond in de tijd van de Koningen grootgrondbezit. Er ontstond een grote massa landloze mensen die schuld op schuld stapelden en uiteindelijk als slaaf eindigden.
Het boek Deuteronomium is opgeschreven toen het allang van kwaad tot erger was gegaan. Als de schrijver het gebod van het sabbatsjaar opschrijft dan weet hij al dat het zo dus niet gegaan is. Profetisch en dreigend klinken de woorden die hij opschrijft: ‘Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de EEUWIGE u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven,  5 tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft’
Wat hier dreigend klinkt dat komt tot zijn einde in de woorden uit 2 Kronieken, waarmee ik deze preek begon. Het ging daar over zeventig jaar van ballingschap, gelijk aan het aantal van zeventig sabbatsjaren die door Israel niet in acht genomen waren. Het sabbatsjaar is dus grotendeels een utopie geweest. Er zijn zelfs exegeten die zeggen dat het nooit en te nimmer werkelijk in praktijk is gebracht, tenminste niet volgens alle regels die de torah gaf. Het gebod was te zwaar. Het lukte niet zo te leven.
Maar we weten dat na de terugkeer uit de ballingschap oprechte pogingen gedaan werden het sabbatsjaar toch te praktiseren. Dat gold in ieder geval voor het begin van onze jaartelling. Waarschijnlijk viel het optreden van Johannes de Doper in een dergelijk sabbatsjaar. Juist in het jaar waarin mensen zo afhankelijk waren van Gods goedheid, en van de solidariteit voor elkaar, riep Johannes op tot bekering, riep hij op om nu echt eens God te gaan zoeken. En onder de mensen die hem hoorden en die zich door hem lieten dopen, was Jezus van Nazareth, hij die juist de sabbat uitkoos om daden van genezing te verrichten, om op de dag waarop God rustte van al zijn scheppingswerk tekenen van Gods goedheid te laten zien.
De evangelist Lukas moet gefascineerd zijn geweest door de geboden uit de Torah die te maken hebben met een gelijke verdeling van de rijkdom. Meer dan de andere evangelisten schrijft hij over rijkdom en armoede, over het goede gebruik van geld en goed. Als Lukas in het tweede deel van zijn werk, de Handelingen der Apostelen, schrijft over het leven van de eerste gemeente, dan laat hij eindelijk tot vervulling komen wat Mozes in de Torah had voorgeschreven ten aanzien van het sabbatsjaar.
In de Torah stond: als je het sabbatsjaar in ere houdt, dan zal er onder jullie geen arme zijn. Lukas laat deze utopie werkelijkheid worden in het leven van de eerste gemeente. Wat bij ons mensen onmogelijk is, dat gebeurt in de eerste gemeente: ze delen dusdanig met elkaar dat er inderdaad geen armen zijn. Eindelijk komt de wet van Mozes werkelijk tot vervulling!
Het is op dit punt dat we het gevoel kunnen krijgen dat we alleen maar falende mensen zijn. Want op onze aarde worden de natuurlijke rijkdommen niet eerlijk verdeeld. De utopie van het sabbatsjaar lijkt verder weg dan ooit. Vrede is ver te zoeken. Gerechtigheid is ver te zoeken. Heelheid van de schepping is ver te zoeken.
Afgelopen donderdagavond zat de wijkzaal vol met mensen van binnen en buiten de Bethlehemkerk, om samen te kijken naar de documentaire ‘an inconvenient truth’, over de ongemakkelijke waarheid van de klimaat-catastrofe waar we naar toe gaan als we helemaal niets doen. Het is twee voor twaalf. Het gaat helemaal mis als we niets doen, dan wordt het over een eeuw of al eerder Amersfoort aan zee of nog erger. Dat het zo ver heeft kunnen komen, heeft dat er misschien ook iets mee te maken dat we ten diepste God zelf zijn kwijtgeraakt? Dat wij mensen het zo druk zijn gaan krijgen met het bewerken van de aarde, dat we vergaten dat God ons in zijn Torah ook leert om af en toe eens te stoppen. We raakten in de waan dat de hulpbronnen grenzeloos waren. Dat aarde en lucht onbeperkt tot ons beschikking staan.

Het sabbatsjaar is heus niet zomaar te vertalen in directe politieke maatregelen.
Maar het sabbatsjaar wijst wel op iets dat we al werkend, gravend en ontginnend zijn vergeten: dat we uiteindelijk nooit de eigenaren zijn van de grond, van de hulpbronnen, maar slechts de tijdelijke bewoners en tijdelijke gebruikers. En dat het land dan niet alleen een gave is, maar ook een opgave om dat te beschermen. Om het een adempauze te gunnen. En misschien dat dat het klimaat op de lange duur ten goede zou kunnen komen.
Grappig is dat, opeens komen zo de beide betekenissen van klimaat bij elkaar. De ene betekenis van het weer op de lange termijn, en de andere betekenis van de sfeer die er onder ons mensen is. Stel je eens voor dat we ons zouden kunnen bekeren tot een andere way of life, een andere sfeer van omgaan met de dingen, zouden we dan nog net op tijd het tij kunnen doen keren? Misschien hebben we daar dan de sleutel gevonden om het in ieder geval niet helemaal uit de hand te laten lopen met het klimaat. Wij kunnen in ons persoonlijk leven om een sabbatsjaar vragen. Misschien krijgen we het niet, maar we kunnen er wel om vragen. Moeder aarde kan dat niet. Ze heeft ambassadeurs nodig, mensen die het voor haar opnemen, mensen die de gevoeligheid hebben om haar te zien als een prachtig geschenk van God zelf, de plek waar zijn Geest zoekt naar plekken van leven, zoekt naar bewoonbare aarde. Het tohu wabohu, het woest en ledig, dreigt nog steeds. Laten wij ons leven in dienst stellen om het beloofde land van onze aarde goed te houden, voor mens en dier, voor plant en boom, voor lucht en water.


ds. JDF v. Halsema

Noten
[1] Dit is de sfeer van het commentaar van Gerstenberger

Gebruikte literatuur:
Gerstenberger (ATD); Labuschange (POT); Anchor Bible Dictionary
 
 

Vieringen

Zondag 12 februari

Schoolkerkdienst
Voorganger: ds. Jetty Scheurwater
Aanvang 10.00 uur
Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal

 
Zondag 19 februari

Voorganger: ds. Erik van Halsema
Aanvang 10.00 uur
Avondmaalsviering
Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal

 
pkn-logo_kleur.png