|
Motto: ‘Een missionaire gemeente?!’
Hoe missionair zijn wij als Bethlehemkerk? Twee lezingen uit Handelingen en de brief aan de Epheziërs roepen op tot zelfonderzoek… Lezingen: Handelingen 11: 19-30; Efeziërs 2: 11-22 Jezus sprak: Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was naar mooie parels. Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, besloot hij alles te verkopen wat hij had en die te kopen. (Matteüs 13:45-46) Wat is er mis met het hebben van een missie? In Nederland een heleboel. Gedreven mensen met een missie worden in ons land snel als fanatiek beschouwd. Doe maar gewoon, dan ben je al gek genoeg, is ons nationale motto. Je bent hier als snel een volksmenner. We houden het allemaal liever wat rustiger. Dat heeft natuurlijk ook zijn weerslag op hoe we in de kerk met elkaar omgaan. Gedrevenheid mag, maar ook weer niet te. Je mag een duidelijk beeld hebben van waar het naar toe moet, maar het moet allemaal wel langs de weg van de geleidelijkheid. Toch knaagt dat wel een beetje, want aan het begin van de kerk staan allemaal mensen die juist door één ding gekenmerkt werden, namelijk dat ze een missie hadden. En daar gingen ze dan ook helemaal voor, misschien wel op het fanatieke af. Dat levert anno 2007 een fors probleem op. Want we zien met eigen ogen de laatste jaren waartoe de combinatie van geloof en fanatisme kan leiden. In deze dagen waarin we stilstaan bij bezetting en bevrijding zijn we daar extra gevoelig voor. We koesteren de vrijheid als de ruimte waarin mensen zich ontplooien kunnen, niet gehinderd door het geweld van anderen. Laten we aan het begin van deze preek het volgende afspreken. In het geloof kan en mag er nooit sprake zijn van enige dwang, laat staan geweld. Geloof, en zeker christelijk geloof, is een aanbod, een uitnodiging. Onze missie is dat we zo veel mogelijk mensen willen uitnodigen om zich te laten inspireren door de goede boodschap van God in Christus, en dat ze daar concreet vorm aan gaan geven in hun eigen leven. Dat is de missie van de Bethlehemkerk. Ik zet deze missie bewust vrij fors aan. Het gaat om een inhoud. Om God in Christus. Dat staat centraal. De missie van de Bethlehemkerk is niet dat we een gezelligheidsclub zijn, met samen wijn drinken, schaatsen en squashen. Dat mag allemaal best, maar het is slechts een bijproduct. De core business is iets heel anders. Die zit in onze missie, van iets willen uitdragen, zodat het leven van mensen verandert. Dat willen we zelf wekelijks vieren en door de week vormgeven. En daarvan vinden we dat andere mensen daartoe ook uitgenodigd mogen worden. Want we laten de kostbare parel waar Jezus het over heeft toch niet zomaar liggen? Daar hebben we toch alles voor over? Of niet soms? En dat alles dus zonder enige dwang. Het kan principieel alleen door uit te nodigen: kom, doe mee met ons! Want we menen een geweldig verhaal te hebben, een bron waaruit je kunt putten en waar je beter van kunt worden. En waarom zouden we daar niet wat vrijmoediger over kunnen worden? We zijn er toch niet alleen voor ons zelf, maar allereerst voor al die mensen die op zoek zijn, en dorst hebben? We menen toch in alle eerlijkheid dat we een prachtig verhaal hebben voor die mensen? Nog niet zo lang geleden leek het wel not done om zo te praten, zelfs in de kerk. Maar dat is nu anders aan het veranderen. Er waait een nieuwe missionaire wind door de kerk. Opeens verschijnen er allemaal boeken en boekjes waarin het er over gaat dat we best wat meer naar buiten mogen treden. Er zijn prachtige websites [1] waarop je ideeën kunt vinden waarmee je zelf aan de slag kunt gaan, toegespitst op jóuw situatie. Het mag weer, praten over missionair gemeente zijn, met vrijmoedigheid naar buiten treden en ‘laten zien wat je beweegt’ [2]. Vier jaar geleden hadden we in onze eigen Bethlehemkerk een groot aantal gesprekken over ‘Kerk naar buiten’. Misschien herinnert u het zich nog wel. Welke plek wilden we innemen in onze buurt? Hoe willen we in contact komen met al die mensen die hier in de buurt wonen? Hoe kunnen we gastvrijer zijn? Daarover hebben we toen intensief met elkaar gepraat. Ik geef toe, woord en daad, dat volgt niet altijd automatisch op elkaar. Ideeën hebben is niet hetzelfde als ideeën uitvoeren. Maar we durven er over te praten. Ik merk steeds vaker om me heen ook in onze wijk dat er een oprecht verlangen is om meer vrijmoedigheid te hebben, om de verlegenheid voorbij te komen. Hoe kunnen we hierin groeien met elkaar? Maar de vraag is wel: wat willen we eigenlijk vertellen en uitdragen? Ligt daar misschien onze grootste verlegenheid? Is dat misschien ook de reden waarom we niet echt verder zijn gekomen met dat project van ‘kerk naar buiten’, dat het toen eigenlijk is blijven steken? Zijn we toen misschien alleen verder gekomen met de vorm in plaats van dat we het ook over de inhoud hebben gehad? Toen ik met dit soort vragen in het achterhoofd de twee lezingen van vanmorgen las, toen viel me vooral één ding op. Ik probeerde me te verplaatsen in die mensen in Antiochië, en in de mensen die de brief aan de Epheziërs voor het eerst ontvingen. Als je je eerlijk open stelt voor de taal van die brief, en je niet meteen afhaakt omdat je er niet tegen kunt dat het gaat over het bloed van Christus, dan komt je een geweldige passie tegemoet. Er is iets heel opzienbarends gebeurd met deze mensen. Dat was het dat mij allereerst opviel. Laten we een voorbeeld nemen om het aanschouwelijker te maken. Er zijn twee groepen jongeren, de een op de ene school en de een op de andere school. Ze hebben nooit contact met elkaar. Integendeel, ze vinden elkaar maar gek. Ze schuwen elkaar. Misschien wordt er zelfs wel gescholden, wordt er wat geduwd en getrokken. Maar dan gebeurt er iets waardoor ze opeens beseffen dat de scheidsmuur die ze tussen elkaar optrekken, dat die eigenlijk maar idioot is. Ze herkennen elkaar op een gemeenschappelijk doel, op een gemeenschappelijke identiteit, op gemeenschappelijke activiteiten. Er ontstaat iets geheel nieuws. Dat levert zo’n sfeer op dat het aanstekelijk werkt. Anderen willen meedoen. Misschien is dit een beeld om iets te begrijpen van wat er niet lang na de dood en opstanding van Jezus gebeurd is. Wat Joden en niet-Joden toen samen meemaakten. Voor de jongeren onder ons is het waarschijnlijk moeilijk voor te stellen als je hier om je heen kijkt, maar ooit, lang geleden is het met de christelijke beweging dus begonnen als een club waarvan het cool en opwindend was om er bij te horen. Het was aanstekelijk, de een nam de ander mee. Paulus die heeft het er over dat dankzij Jezus de scheidsmuur tussen die groepen is weggehaald. Dat is een enorme revolutie! Het belangrijkste er van is dat God zelf nu eindelijk in het zicht gekomen is, voor de groep van niet-Joden. De Joden, die kenden God al, maar de heidenen, de niet-Joden nog niet. Maar nu ze dankzij Jezus God hebben leren kennen, nu ervaren ze achteraf hun vroegere leven als een zinloos bestaan, een dor leven, zonder God en zonder hoop. Van het duister zijn ze naar het licht gegaan. Van het achternalopen van goden die waandenkbeelden zijn, zijn ze naar de ene, ware God gegaan. Van schijn naar werkelijkheid zijn ze gegaan. Van verblinding naar zelfinzicht. Van blind egoïsme naar saamhorigheid. Van slavernij naar vrijheid. Van een leven zonder hoop naar een leven met hoop. Van ver van God zijn naar dichtbij God zijn. Van vreemdelingen naar huisgenoten van God. Kunnen wij daar nog iets van proeven, van het revolutionaire gevoel dat ze gehad moeten hebben? Dat er echt iets nieuws begonnen was. Dat ze echt andere mensen geworden waren omdat ze God in Christus hadden leren kennen? Kunnen we iets navoelen van de urgentie die dat opleverde? Als je immers zo’n prachtige parel gevonden hebt, dan laat je het er toch niet bij? Dan zet je toch alles op het spel om die parel in je bezit te krijgen? En dan wil je dat kostbare kleinood toch vervolgens aan allen laten zien? In Antiochië, zo vertelt Lucas ons in zijn tweede deel, in het boek Handelingen, daar was voor het eerst het evangelie gebracht aan niet-Joden. Mensen die geen enkele notie hadden gehad van de God van Israël. Daar ontstaat iets geheel nieuws. Daar worden de mensen van de weg voor het eerst christianoi genoemd, Christenen. Christen zijn is dus ooit begonnen met het weghalen van de scheidsmuur, met het laten delen van heidenen in de beloften die eerst alleen Israël hadden gegolden. Er gebeurt iets nieuws. De oerkerk in Jeruzalem geeft zijn fiat aan deze ontwikkeling, door de figuur van Barnabas. En deze haalt Paulus er bij, en samen geven ze een heel jaar lang onderricht. En die gemeente, die maakt ook een geweldige ontwikkelingen door. Ze hebben uitstraling. Een groot aantal mensen wordt gewonnen! Deze gemeente die zich naar Christus laat noemen doet niet aan missie. Ze hebben geen evangelisatiecommissie. Nee, deze gemeente is één en al missie, ze valt er mee samen. Daar worden wij wat verlegen mee. We bevinden ons op een andere plek in de geschiedenis van de kerk van Christus. De taal die eens getuigde van het nieuwe is voor ons een gestold woord geworden. Charisma is ambt geworden. Een beweging is een instituut geworden. Het is moeilijk geworden voor ons om het gevoel van urgentie vast te houden waarmee het eens begonnen is. Maar ook al getuigt de sfeer bij ons van een mindere urgentie, laten we vooral positief inzetten. Het positieve is dat u er bent, dat jij er bent! U hebt vanmorgen de beslissing genomen om naar de kerk te gaan. Dat is niet niks. U hebt de moeite genomen om uw eigen huis te verlaten. U bent niet in uw eentje voor de buis blijven zitten. U heeft besloten om iets met anderen te gaan delen. Wat zoekt u? Bemoediging, troost, een paar woorden om over na te denken, een mooi lied om te zingen, een frase in een gebed dat je raakt, na afloop gezelligheid bij het koffiedrinken. Wat we met z’n allen waarschijnlijk niet verwachten is dat hier zo’n gevoel van urgentie heerst dat je echt het gevoel krijgt van nu of nooit. Dat je thuis komt en zegt: nu ga ik dit of dat eens echt veranderen. Dat we hier in de liturgie zo bij onze kladden gegrepen worden dat God opeens weer een levensgrote vraag voor ons wordt. Dat we net als de Epheziërs gaan beseffen dat we misschien wel achter nietsen van goden aanlopen, de goden van status en macht en beleving en er koste wat kost bij willen horen. Dat we denken dat we God kennen, maar intussen een god zijn gaan fabriceren, een god naar onze maat en naar onze wens. Dat we net als Israël ooit in de woestijn om het gouden kalf aan het dansen zijn. Dat we dag in dag uit gesneden beelden maken van God door hem te modelleren naar onze wensen. Maar stel je eens voor dat God eens heel anders is dan onze dromen en verlangens, niet de lievige tandeloze God die wij uit een kastje halen als het eens tegenzit, maar de bron van ons bestaan dankzij wie wij werkelijk mens worden, en dat we door die God echt bij onze kladden gegrepen worden, zo van zou je er niet eens wat werk van gaan maken, en wanneer ga je nu eens eindelijk al die goede voornemens uitvoeren die je al jaren hebt? Hoe gaan we uiten dat de bron van ons gemeentezijn de liefde van God is, en hoe gaan we dat concreet handen en voeten geven in onze liefde voor de naaste, dichtbij en veraf? De vraag voor ons vanmorgen is: willen wij ons met ons hele bestaan toevertrouwen aan die God? Willen we inderdaad die prachtige kostbare parel koste wat kost kopen? Is dat voor ons een herkenbaar verhaal? Is er iets van die radicale toewijding herkenbaar? Als dat niet of nauwelijks het geval is, dan hebben we als Bethlehemkerk weinig reden voor missionair kerk zijn, want waarom zou je anderen willen doen delen wat eigenlijk niet zo kostbaar voor je is? Daarom is er dus de noodzaak voor het onderlinge geloofsgesprek. We zullen in onze gemeente samen moeten ontdekken of we inderdaad een parel gevonden hebben van onvergelijkelijk grote waarde. Als dat niet het geval is of als dat althans niet zo gevoeld wordt, dan is het beter voorlopig te zwijgen. [3] Maar stel dat we inderdaad als gemeente zeggen: ja, wij menen iets van die uitzonderlijke waardevolle parel gevonden te hebben. Dat willen we echt met anderen delen. We willen echt uitnodigend zijn. We willen echt een gemeente zijn die andere mensen helpt om het koninkrijk van God te vinden. Stel dat dat ons gevoelen is, dan moeten we vervolgens gaan nadenken hoe we dat gaan doen. Dat is een vraag voor ons allemaal, wat wij daar zelf aan toe kunnen bijdragen. Dan gaat het echt niet alleen om de preek van de dominee. Want als die preek niet gedragen wordt door jullie gevoelen, dan sta ik hier tegen dovemansoren te praten. Nee, het is veel breder. Het begint al met de gastvrijheid waarmee de leden van de eredienstcommissies de gasten bejegenen als ze binnenkomen. Het eerste contact is een daalder waard. En groet je andere mensen vriendelijk als ze bij u aanschuiven in de bank? Maak je ze wegwijs hoe het hier toegaat? Geven we elkaar volgende week bij het avondmaal hartelijk de vredegroet, zonder tegenzin? En hebben we oog voor elkaar bij het koffiedrinken? Maar het gaat nog veel verder. Dit raakt alleen maar de vorm. Dit gaat alleen over elementaire vormen van gastvrijheid die eigenlijk vanzelfsprekend zouden moeten zijn. Het moet om de inhoud gaan. Het gesprek, het geloofsgesprek. Gaan we dat inderdaad aan? Zijn er plekken waar we samen op zoek kunnen gaan naar de vraag wie God in Christus voor ons is, voor u, voor jou? Zijn er voldoende plekken waar nieuwkomers kunnen aanschuiven? Waar we lief en leed met elkaar kunnen delen, waar mensen samen bidden kunnen? Als we niet samen kunnen spreken en bidden, maar alleen samen passief kunnen luisteren naar een preek, wat hebben we dan eigenlijk met elkaar? En hoe wervend is dat voor anderen? Laat ik jullie tot slot eens mijn eigen droom van een kerk geven. Het is niet uitputtend bedoeld wat ik ga zeggen. Het zijn slechts een paar gedachten uit de losse pols. Misschien resoneren ze bij u. Mijn droom van een kerk is een kerk waar je met een gerust hart een buurman of collega of vage kennis of vriend mee naar toe durft te nemen. Dat je zeker weet dat je je niet zult schamen voor wat er geboden wordt, in tekst en zang en sfeer. Dat je zeker weet dat de gast die je meeneemt niet een boze reactie krijgt van een vast lid die nijdig is omdat hij niet op zijn vaste stekkie kan zitten. Denkt u dat de kerk ooit zou zijn gegroeid als de eerste christenen die houding zouden hebben gehad? De Antiochiërs zouden gillend zijn weggelopen en zouden nooit terug zijn gekomen. Ik droom niet van een kerk die via opzienbare acties de verloren zielen uit onze eigen omgeving opeens weet te trekken. Dat wordt alleen maar oppervlakkig gedoe. Daar ligt onze kracht ook helemaal niet. Onze kracht ligt elders: dat we een gemeenschap kunnen zijn die met elkaar geloof en leven deelt. Onze kracht ligt in de lange adem. Onze kracht ligt in het er zijn voor jong én oud, en met jarenlange trouw aandacht geven aan elkaar. Daar ligt onze kracht. Ik droom van een kerk waar het geloof met elkaar gedeeld wordt. Waar we elkaar niet de maat zitten te nemen, zo van heb jij wel genoeg geloof. Maar waar we ook verder durven te komen dan vrijblijvendheid. Waar we elkaar echt durven te bevragen en het meer is van jij hebt jouw mening en ik de mijne en dat houden we lekker zo. Ik droom van een kerk waar de geest van God zoveel ruimte krijgt, dat we aanstekelijk worden. En dat je inderdaad die buurman of collega of vage kennis of vriend er mee naar toe durft te nemen. Dat je trots kunt zijn op je kerk. Want het gaat ergens over. Het gaat over God, die ons leven verandert. Dat is een kostbare parel waar we heel veel voor over willen hebben. En dat willen we delen met elkaar. En uitdragen. Daarmee willen we anderen dienen. Dat is mijn droom van een kerk. Misschien ook de uwe? Ds. JDF van Halsema Noten: [1] Bijvoorbeeld www.idee-en-kerk.nl [2] De titel van een mooie brochure van de PKN waaruit ik voor deze preek een heleboel put [3] Sake Stoppels, aangehaald in ‘Laat zien wat je bezielt’, p. 22 en 23. [Op deze preek rust copyright. Dat wil zeggen dat deze tekst vrijelijk hergebruikt mag worden, echter alleen na voorafgaande toestemming van de auteur en met bronvermelding.]
|
|
|
Vieringen
Schoolkerkdienst Voorganger: ds. Jetty Scheurwater Aanvang 10.00 uur Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal |
|
|
Voorganger: ds. Erik van Halsema Aanvang 10.00 uur Avondmaalsviering Na afloop koffiedrinken in de wijkzaal |
|
|
|