|
Deel V: Christendom en Filosofie
Hoofdstuk 15: De onzienlijke wereld: Kant en de grenzen van de rede”
(’We bewijzen de rede een dienst als we er in slagen het pad te ontdekken dat ze veilig kan bewandelen’ I. Kant, Kritik der reinen Vernunft)
Zijn moderne voorvechters van het secularisme dé apostelen van de rede?
Schrijfster en journaliste Susan Jakoby kiest voor ‘een rationalistische benadering van de fundamentele vragen van het aardse bestaan’. De moderne mens heeft het verstandelijk kenvermogen van de mens als richtsnoer en kompas gekozen.
Sam Harris: ‘Als je tegen een vrome christen zegt dat zijn vrouw hem bedriegt of dat hij onzichtbaar kan worden door bevroren yoghurt te eten, dan zal hij dat, net zo goed als ieder ander, eerst bewezen willen zien en er niet meer geloof aan hechten dan het bewijs rechtvaardigt. Maar wanneer je tegen hem zegt dat het boek op z’n nachtkastje geschreven is door een onzichtbare godheid die hem eeuwig zal laten branden als hij niet iedere ongeloofwaardige bewering over het universum in dat boek voor waar aanneemt, dan heeft hij blijkbaar geen enkel bewijs meer nodig’.
Seksuoloog Verne Bullough: ‘humanisten hebben in ieder geval het gelijk aan hun kant’.
Psycholoog Paul Bloom:’ het mooie van de wetenschap is dat z’n ideeën worden uitgetest op de werkelijkheid’.
Steven Weinberg: ‘de wetenschapper heeft respect voor de werkelijkheid die hij onderzoekt, maar niet zelf schept (zoals de gelovige doet, HK).
De veronderstelling van bovenstaande wetenschappers is dat hun rationele, wetenschappelijke benadering hun volledig toegang geeft tot de werkelijkheid buiten hemzelf.
De grote wereldreligies zeggen echter dat er twee niveaus van werkelijkheid zijn: de ervaringswereld (dus zoals de wereld op ons overkomt), en de transcendente werkelijkheid, d.w.z. zoals de dingen echt zijn (of religieus gesproken: zoals God ze ziet). Kant heeft hier de vinger op gelegd. In de Kritik der reinen Vernunft laat hij zien dat de mens de werkelijkheid alleen kan kennen door zijn zintuigen, maar we kunnen niet weten of het beeld van de zintuigen de volle werkelijkheid weergeven. Kunnen we dan niets over de werkelijkheid weten? Filosoof Berkeley concludeert dat we geen bewijs hebben voor het geloof in de materiële werkelijkheid die onafhankelijk van onze geest bestaat. David Hume gaat een stapje verder: ‘We ervaren onszelf enkel en alleen via onze zintuiglijke gewaarwordingen, gevoelens en gedachten. Dat die gewaarwordingen, gevoelens en gedachten bestaan, weten we, maar er is geen grond voor de stelling dat daarachter een soort ‘ik’ schuilgaat dat op deze manier op z’n omgeving reageert. Kant: ‘Das Ding an sich, können wir nicht kennen”. Toch vindt Kant onze zintuigen niet onbetrouwbaar; we kunnen alleen niet weten of onze zintuiglijke informatie de werkelijkheid volledig weergeeft. Daardoor kan de mens alleen maar de wereld leren kennen zoals die zich aan ons voor doet; niet zoals hij echt is. Dat die wereld er is, hoeven we niet te betwijfelen; zonder die wereld hadden we er ook geen zintuiglijke ervaring van.
De rede gebruikt onze zintuiglijke informatie als bron om iets over de werkelijkheid te kunnen zeggen. Daardoor functioneert de rede dus ook binnen de kenmogelijkheden van de zintuigen en die is beperkt. De rede is dus ook beperkt.
Dennet en andere voorvechters van de huidige wetenschappelijke positivisten, stellen dat Kant “allang weerlegd is’. Echter, dat is gewoon niet zo; zo’n weerlegging ie er niet !
Moeten we het gezonde verstand laten spreken? Dan komen we niet ver: dan is de aarde plat, draait de zon om de aarde en zijn ruimte en tijd absoluut. Alle moderne wetenschappelijke bevindingen gaan tegen het gezonde verstand in; de werkelijkheid is niet altijd zoals wij haar ervaren.
De wetenschap kan tegenwoordig ge ruik maken van heel geavanceerde apparatuur als ‘extra’ zintuigen. Maar dat heeft Kant’s visie niet op, omdat die instrumenten nog steeds met de zintuigen ‘afgelezen’ worden.
Kant’s visie komt overeen met die van de grote religies, nl. dat er naast onze dagelijkse werkelijkheid nog een hogere, tijdloze werkelijkheid is, dan van een volstrekt andere orde is.
Socioloog Peter Berger: ‘De religieuze impuls, de zoektocht naar een zin die de beperkte dimensie van onze ervaring in deze wereld overstijgt, heeft de mensheid altijd gekenmerkt.
Kant’s ideeën waren weliswaar volkomen seculier, maar hij ‘maakte ruimte voor het geloof’, zoaks hij zelf zei.
De atheïst staat te kijk als dogmatisch en aanmatigend, de godsdienstige mens blijkt bescheiden te zij en redelijk. De gelovige erkent dat er grenen zijn aan de menselijke kennis, wetend dat er een werkelijkheid bestaat die groter is dan en ontstijgt aan de wereld die wij met onze zintuigen waarnemen en met onze geest bevatten kunnen.
|