|
Hoofdstuk 13. Paley had gelijk: evolutie en het godsbewijs uit de schepping.
(‘Het oude verbond ligt in duigen. Eindelijk weet de mens dat hij alleen is in een immens, gevoelloos universum, waarin hij alleen maar bij toeval ontstaan is. (Jacques Monod, Le hasard et la nécessité).
William Payley, anglicaans theoloog schreef in 1802 dat de natuur ontworpen (designed) is: ‘als je een horloge vindt, denk je toch ook niet aan een toevallig natuurverschijnsel; je weet onmiddellijk dat het door een intelligent wezen is ontworpen en gemaakt’. (Natural Theology)
Dawkins werpt in The blind watchmaker tegen dat Darwin heeft ontdekt dat de natuur zich zonder tussenkomst van een schepper heeft ontwikkeld via het ‘blinde, onbewuste proces’ van natuurlijke selectie. Deze opvatting behoort inmiddels tot het cultuurgoed van onze samenleving. De Amerikaanse hoogleraar Bernard Cohen: ‘de darwinistische revolutie luidde de doodsklok over ieder argument voor het bestaan van een ontwerp in het universum en de natuur’. In Harper’s schreef David Quammen dat evolutie in tegenspraak is met het hele systeem van vrome opvattingen over een mensheid die naar Gods beeld zou zijn geschapen. De bioloog William Provine gaat er prat op dat ‘niets het atheïsme zo in de hand werkt als de evolutieleer’.
Het grote publiek in de VS heeft z’n twijfels: 45% is het ermee eens dat ‘de mens zoals hij nu is op enig moment door God werd geschapen’. Veel wetenschappers en anderen hebben hun verbijstering erover geuit dat er zoveel ‘creationisten’ rondlopen die eenvoudigweg weigeren de bevindingen van de moderne wetenschap te accepteren. Nu geloven ‘echte’ creationisten dat de aarde in 6 dagen geschapen is en dat de aarde 6000 jaar oud is. D’Souza: ‘zowel de bijbel als het wetenschappelijk bewijsmateriaal ondersteunen dat niet’.
Van het Darwinisme gaat een sterk antigodsdienstige invloed uit en dat is de voornaamste reden waarom veel Amerikanen er niet aan willen. In hun ogen is het atheïsme onder mom van wetenschap. Inderdaad is er van het Darwinisme in het verleden ideologisch gebruik gemaakt. In het sociale Darwinisme zijn begrippen als ‘natuurlijke selectie’ en ‘overleving van de sterksten’ (best aangepasten HK) meer dan 50 jaar gebruikt om een racistische en inhumane politiek te rechtvaardigen. Er werden rassenverdeling, immigratiewetten en gedwongen sterilisatie mee verdedigd.
Maar hoe zit het volgens de bijbel eigenlijk met de schepping van de mens? Welnu, het boek zegt dat het universum uit het niets geschapen werd, maar de mens werd geschapen uit bestaande stof: ‘Stof ben je en tot stof keer je terug’ (Genesis 3:19). Dat dit scheppingsproces via afstamming van primitievere diersoorten is gegaan, is hiermee niet in tegenspraak. De gedachte van afstamming via (zijtakken) van apen roept weerstand bij ons op, niet om religieuze redenen, maar omdat er voor ons gevoel een kloof gaapt tussen ons en aapachtigen. Sinds de Middeleeuwen zijn christenen het met Aristoteles eens dat de mens een dier is, maar wel een dier dat met ‘rede begiftigd’ is.
De opvatting dat de mens fysiek afstamt van andere schepselen is dus vanuit theologisch oogpunt niet problematisch. Dat ‘naar het beeld van God geschapen zijn’ moet wel geestelijk bedoeld zijn, omdat wij van stof gemaakt zijn en God is beslist onstoffelijk.
Hindoes, joden en moslims hebben nooit een probleem gehad met de evolutietheorie, omdat zij hun scheppingsverhalen altijd als gelijkenissen hebben opgevat. De reacties op Darwin waren in christelijke kring verdeeld; sommigen verwierpen het als geloofsondermijnend, anderen omhelsden haar omdat het liet zien hoe God te werk gegaan was. De bioloog Asa Gray zei dat, en Darwin vond dat een hele mooie interpretatie.
Hoewel Darwin een agnosticus was, werd hij met instemming van de anglicaanse kerk in Westminster Abbey begraven. De Britse apologeet C.S. Lewis had geen moeite met de evolutiegedachte. Paus Johannes Paulus II zei dat de evolutieleer ‘meer dan een hypothese is’. Onder de hedendaagse evolutionisten van naam bevinden zich verscheidene christenen.
Maar hoe sterk was Darwin’s theorie eigenlijk? Feitelijk had hij geen enkel bewijs voor het ontstaan van nieuwe soorten; slechts bescheiden aanpassingen binnen de soort (vinken, duiven) brachten hem op het idee dat er via aanpassing nieuwe soorten zouden kunnen ontstaan, maar bewijs had hij er niet voor.
Er is recent de tegenbeweging van Intelligent Design geweest met wetenschappers als Dembski en Behe. Zij stellen vast dat de op toeval gebaseerde evolutie nooit het ontstaan van zoiets ingewikkelds als het oog kan verklaren, of ook de explosie van leven in het Cambrium; waar kwamen al die levensvormen opeens vandaan? Ook voor het ontstaan van soorten via evolutie is geen evidentie; het is fokkers nog nooit gelukt, laat staan dat het dan bij toeval zou lukken. Wel is er sprake van micro-evolutie (aanpassingen binnen een soort).
Echter, biologen hebben wel degelijk laten zien dat er voor het oog allerlei overgangsvormen zijn en zijn geweest. Ook is er niet veel fantasie voor nodig om te geloven dat tijger en leeuw uit een gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan. De christelijke bioloog Kenneth Miller schrijft: ‘De evolutie is net zo goed een feit als elke andere wetenschappelijke constatering’. En van Theodosius Dabzhansky is de beroemde uitspraak: ‘Niets in de biologie snijdt hout tenzij het in het licht van de evolutie wordt bezien’.
Evolutie verklaart goed dat er eenheid in de biologie is: alle leven in gebaseerd op DNA, RNA en eiwitten; het verklaart ook goed hoe deze bouwstenen de enorme verschillen via deze stoffen in het biologische leven mogelijk maken. Evolutie klopt ook met het feit dat de oudste aardlagen primitief leven bevatten en recentere lagen meer ontwikkelde levensvormen. Ook is er nergens een fossiel aangetroffen dat met deze systematiek niet klopt; de doorgaande lijn is consistent. Daarom D’Souza: ‘de evolutietheorie levert de beste en meest overtuigende verklaring voor onze oorsprong’.
Echter, evolutionisten proberen ook evolutie als verklarend principe te gebruiken in de psychologie, de ethiek, de politiek en de godsdienst en daarmee gaan ze de grenzen van het bewijsmateriaal ver te buiten. Dawkins en Dennet zijn metafysische darwinisten. De bioloog Gould noemde hen ‘darwinistische fundamentalisten’.
Er zijn drie hoofdkenmerken van het leven waar de evolutie geen licht op kan werpen:
- het bestaan van het leven als zodanig. De cel als kernbouwsteen van het leven is een dermate ingewikkeld en geordend geheel dat het geheel onbestaanbaar is dat die bij toeval zou zijn ontstaan, Dawkins: ‘Hoe onwaarschijnlijk de oorsprong van het leven ook mag zijn, het moet wel bij toeval ontstaan zijn omdat wij hier zijn’. Er is heel wat geloof nodig om zoiets voor waar aan te nemen.
- Het bewustzijn. De cognitief psycholoog Steven Pinker: ‘Het bestaan van de subjectieve ik-ervaring valt wetenschappelijk niet te verklaren. De evolutionist Daniel Dennett verklaart het dan maar weg: ‘het bewustzijn is een cognitieve illusie’.
- Moreel besef en het vermogen om in te zien dat iets waar is. Steven Pinker: ‘Onze hersenen zijn gevormd om onze overlevingskansen te vergroten, niet met het oog op waarheidsvinding’. De Engelse filosoof en darwinist Ruse: ‘niemand heeft daar een antwoord op, zeker niemand in de hoedanigheid van darwinist’.
D’Souza pleit niet voor een God van ‘de gaten’; een God die moet opvullen wat we wetenschappelijk nog niet weten en Die daarmee terrein verliest naarmate de wetenschap vordert. Hij keert zich echter ook tegen een “atheïsme van de gaten’, dat ervan uitgaat dat alles wat we nog niet kunnen verklaren, uiteindelijk toch wel een wetenschappelijke verklaring zal krijgen. Tenslotte constateert hij dat het Godsbewijs uit de natuur uit het vorige hoofdstuk (de natuurwetten zijn precies zo afgesteld dat er op aarde leven kon ontstaan en elke andere afstelling zou nooit tot een aarde geleid hebben) nog recht overeind staat. Met een beroep op de juiste uitleg van het begrip evolutie kunnen christenen staande houden dat het boek van de natuur en de Bijbel elkaar beslist niet tegenspreken.
|