|
Hoofdstuk 9: Het christendom is zo gek nog niet
Van Logos naar kosmos: "de uitvinding van de uitvinding"
Het grootste idee van de moderne wetenschap is niet op de ratio gebaseerd, maar op geloof, nml. dat het universum rationeel is ingericht. Wetenschappers vinden het vanzelfsprekend, dat de menselijke geest de wetten die de natuur beschrijven, kan ontrafelen en begrijpen. De fysicus James Trefil noemt dat het principe van de universaliteit: “Het houdt in dat de natuurwetten die we hier en nu in onze laboratoria ontdekken, overal in het heelal gelden en altijd gegolden hebben. Zijn vakgenoot Steven Weinberg: “De wetmatigheden die we ontdekken worden steeds coherenter en universeler ”Die wetten kunnen worden geformuleerd in de taal van de wiskunde. In zijn essay “The Unreasonable Effectiveness of Mathematics in the Natural Sciences” erkent de natuurkundige Eugene Wigner dat de wiskundige inrichting van de natuur ‘grenst aan het mysterieuze en geen rationele verklaring toelaat’. Feynman geeft toe: ‘Het is een mysterie waarom de natuur wiskundig is…. Het feit dat er ”überhaupt wetmatigheden zijn, is een wonder’.
Hoe vanzelfsprekend is dit: het is niet moeilijk je een heelal voor te stellen waarin de omstandigheden onvoorspelbaar zijn en van het ene op het andere moment veranderen. Maar de moderne wetenschap is alleen mogelijk bij de gratie van het ‘irrationele’ geloof dat we in een geordend universum leven. Dit geloof hebben we aan het christendom te danken. Ook de presocraticie hadden dergelijke ideeën, maar dat heeft verder geen wortel geschoten. Het christendom blies die ideeën een nieuw leven in: zij ging ervan uit dat het universum gehoorzaamt aan wetten die uitdrukking geven aan de rationaliteit van God de Schepper: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God” (Johannes’ evangelie). Voor christenen (en Joden) is de zon dan ook geen voorwerp van verering, maar een grote lamp. En omdat de mens naar het beeld en gelijkenis van God geschapen is, draagt de mens een vonk van de goddelijke rede. Daaraan dankt de mens het vermogen om de wereld te begrijpen.
Zeker, christenen geloven in wonderen, maar dat zijn uitzonderingen op de natuurkundige regels – daarom vallen ze op. De Islam ziet alles in het universum als miraculeus. De middeleeuwse moslimtheoloog Abu Hamed al-Ghazali stelde dat God voortdurend tussenbeide komt om te veroorzaken wat er in de wereld gebeurt. De Britse sinoloog en historicus Joseph Needham meldt dat de Chinezen er geen vertrouwen hadden dat de code van de natuurwetten ooit ontraadseld en geïnterpreteerd kon worden; ze hadden geen zekerheid dat er een goddelijk wezen was dat, toegerust met een hogere rede dan zijzelf, ooit zo’n interpretabele code had geformuleerd. De filosoof, fysicus en wiskundige Alfred North Whitehead concludeert dat ‘het geloof in de mogelijkheid van de natuurwetenschap .... zonder dat dit beseft werd, zijn ontstaan dankte aan de middeleeuwse theologie’.
In die middeleeuwen begon de wetenschap met monniken in kloosters; zij bestudeerden de oude Griekse geleerden en deden onderzoek. Later begonnen de kerken scholen te stichten die zich soms ontwikkelden tot universiteiten (Parijs, Bologna, Oxford, Cambridge, Rome, Napels, Salamanca, Praag, Wenen, Keulen, Heidelberg). De oudste universiteiten zijn begonnen als christelijke instelling.
De franciscaanse bisschop Robert Grosseteste kwam met het idee om kennis te vergaren via de inductieve methode: kennis die gebaseerd is op experimenteel verkregen gegevens. Later gebruikte Francis Bacon – een vroom man, die verhandelingen over de psalmen en het gebed schreef – de inductieve methode om de resultaten van zijn experimenten te interpreteren. Tegenwoordig wordt Bacon beschouwd als de grondlegger van de wetenschappelijke methode, de ‘uitvinder van de uitvinding’.
Er wordt vaak gezegd dat de opkomst van de natuurwetenschap in de zeventiende eeuw voortkwam uit verzet tegen godsdienstige dogma’s. In werkelijkheid is de moderne wetenschap begonnen met de scholastieke discussies waarin de menselijke rede deductief te werk ging om de werking van Gods hand in de schepping te ontdekken. De mediëvist Lynn White heeft aangetoond dat de nieuwe wetenschappelijke methode de stoot gaf tot een explosie van vernieuwingen en uitvindingen die in de 13de eeuw begon. De 14de eeuw is door Jean Gimpel getypeerd als “een van de grote inventieve tijdperken in de geschiedenis van de mensheid”. In die tijd werden het scheprad, de windmolen, de schoorsteen, de bril en de mechanische klok uitgevonden. De eerste professionele wetenschappers vatten hun werk op als dienstbaar aan een christelijk doel: het eren van God. De wiskundige Morris Kline noemde de ‘de wetenschapper uit de renaissancetijd een theoloog die in plaats van God de natuur bestudeerde’.
De reformatie kwam met een nieuw idee: ieder mens moet voor zichzelf uitmaken wat waar en onwaar, goed en fout is. Dat was een vrijbrief om als individu zelfstandig te denken. De opkomende wetenschappelijke cultuur in Europa kreeg er een nieuwe dynamiek door. Wetenschappers uit die tijd en daarna waren overtuigde christenen: b.v. Copernicus (kanunnik), Kepler, Galilei, Brahne, Descartes, Boyle (anglicaan), Newton (evenzeer natuurwetenschapper als mysticus), Leibniz, Gassendi, Pascal, Mersenne, Cuivier, Harvey, Dalton, Faraday, Herschel, Joule, Lyell, Lavoisier, Priestly, Kelvin, Ohm, Ampere, Steno, Pasteur, Maxwell, Planck en Mendel. Priester Georges Lemaitre kwam met de oerknaltheorie, monnik Mendel bestudeerde erfelijkheid. Al deze mensen zagen hun wetenschappelijke roeping in een typisch christelijk perspectief. Newton schreef: ‘Dit buitengewoon prachtige stelsel van zon, planeten en kometen kon alleen maar voortkomen uit het raadsbesluit en de soevereine heerschappij van een intelligent en machtig wezen”. Kepler: ‘Heel lang wilde ik theoloog worden, maar zie nu eens hoe, dankzij mijn inspanningen, God via de astronomie geprezen wordt. .... Mijn wetten tonen aan dat God een veel eenvoudiger en eleganter model heeft gebruikt dan dat van het oude polemische systeem met zijn cirkels en epicycli. Hij smeekte God ‘genadiglijk te bewerkstelligen dat deze bewijzen mogen leiden tot Uw glorie en de redding van zielen’. De 3de wet van Kepler stelt dat het kwadraat van de omlooptijd van een planeet evenredig is aan de derde macht van de gemiddelde afstand van die planeet tot de zon. Dat lukte hem omdat hij ervan overtuigd was dat er een mooie wiskundige relatie lag te wachten op ontdekking en hij het als zijn roeping zag er tot meerdere glorie van God ruchtbaarheid aan te geven.
Achterhaald, die motivatie van Kepler? Nog steeds raken natuurwetenschappers er meer van overtuigd dat ze een relatie in de natuur juist hebben waargenomen en verklaard als dat verband ‘eenvoudig’ en ‘mooi’ is; Patronen die al te complex en ‘lelijk’ zijn, worden gewantrouwd. Einstein erkende dat ‘iedere ware onderzoeker van de natuur een soort religieus ontzag ervaart’. De bioloog Joshua Lederberg schreef in Science” ‘Wat ons bij wetenschappelijk onderzoek drijft is ontegenzeggelijk een religieuze impuls’. Die impuls kwam oorspronkelijk voort uit het christendom.
|