|
Hoofdstuk 6: “Het kwade doe ik: het christendom en de feilbare mens”.
(“Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.” (Romeinen 7: 19)
Een hoofdkenmerk van de westerse beschaving, aan het christendom ontleend, is het beamen van het gewone leven, een positieve waardering van het alledaagse bestaan. Gewone mensen zijn feilbaar, maar toch belangrijk; gewone mensen doen ertoe. Hun dagelijkse beslommeringen worden zo op een hoger plan gebracht.
Homerus negeerde gewone mensen, Aristoteles vond ze goed genoeg voor slavenarbeid zodat de aristocratie zijn zielenadel kon ontwikkelen: trots, achtenswaardig en rijk waren die.
“Christus was niet een held of een koning, maar iemand uit de onderste sociale laag” (Erich Auerbach). Hij deelde het alledaagse leven van onaanzienlijke mensen, hij sprak met tollenaars, gevallen vrouwen, armen, zieken en kinderen. Hij eindigde aan het kruis tussen twee misdadigers. Het ging Christus om innerlijke waardigheid die gekenmerkt was door nederigheid. Hij keerde de waarden om: de laatsten werden de eersten.
Plato vond dat het kwaad voortkwam uit gebrek aan kennis, Paulus daarentegen zegt dat het kwaad een kwestie van wil is.
Met het toenemen van de invloed van het christendom gingen maatschappelijke instellingen zich meer richten op wat humaan en sociaal heilzaam was. Daarmee werden huwelijk en gezin belangrijk. In het oude Griekenland was dat niet zo: Plato stelde voor om het gezin af te schaffen en de voortplanting en de zorg voor kinderen door de staat te laten regelen. Huwelijken waren alleen nuttig voor de voortplanting. Liefde speelde geen rol en Aristoteles meende dat vrouwen niet tot vriendschap in staat waren. Griekse tragedies gaan nooit over de liefde (Is dat zo?, HK).
In de Griekse en Romeinse oudheid was homoseksualiteit tussen volwassen mannen en jongens normaal en homoseksualiteit werd onder soldaten gestimuleerd voor grotere solidariteit. De Engelse historicus K.J. Dover: “de jongen stemde toe ik seks met een oudere man en kreeg daar kennis en privé-onderwijs voor terug”. M.a.w.: “de seksuele praktijken ten tijde van de glorie van het oude Griekenland en de luister van het oude Rome leven heden alleen voort in gevangenissen” .
Het christendom verheerlijkt de heteroseksuele monogame liefde en ontwikkelde het idee van de romantische liefde. Vóór de Middeleeuwen werd verliefdheid als een lichte vorm van krankzinnigheid beschouwd waarop geen duurzaam huwelijk kon en mocht worden gegrondvest. Christenen begonnen het huwelijk te zien als een vorm van kameraadschap, gestimuleerd door romantische gevoelens.
Ook is aan het christendom, vanaf het begin ervan, te danken dat een huwelijk de instemming van man én vrouw moest hebben; tot op heden worden in Azië, Afrika en het Midden-Oosten mensen tegen hun wil tot een huwelijk geprest. En omdat de partners zonder dwang tot een huwelijk zijn gekomen, moeten ze hun belofte ook nakomen.
Ook in de rechtspleging zien we de invloed van het christendom. Harold Berman, Amerikaans rechtsgeleerde: “ons juridische systeem is een seculier overblijfsel van godsdienstige opvattingen en veronderstellingen die in de geschiedenis voor het eerst tot uitdrukking kwamen in de liturgie, de riten en de leer van de kerk, later in juridische instellingen, begrippen en waarden.” Plato noemt een vorm van rechtspleging die hierin bestaat dat iedereen krijgt wat hem of haar in de gegeven omstandigheden toekomt, het beste. Met name de aristocratie is in staat het handelen van mensen van geval tot geval te beoordelen en daarbij eventuele sancties op te leggen. In het westen echter geldt de wet voor iedereen, omdat wij ervan uitgaan dat de beoordelaars, van politieagenten tot rechters, feilbare mensen zijn; en daarom vrezen we willekeur.
We zijn er dus voorzichtig mee de macht in handen van onvolmaakte mensen te leggen. Daarom hebben we een scheiding van machten tussen wetgever, wetshandhaver en de rechtelijke macht. Zo zorgen we ervoor dat de overheid eerlijk te werk gaat en ter verantwoording geroepen kan worden.
Ook de notie van het dienstbare leiderschap in ons bestuursmodel gaat terug op het christendom, waarin Christus de eerste is omdat Hij gekomen was om te dienen (“Wie onder u de eerste wil zijn…. enz.).
En dan het kapitalisme (zucht, HK). Dit systeem kanaliseert de zelfzucht van de mens zo dat de samenleving er beter van wordt. Let wel: het egoïsme schuilt niet in het systeem, maar in de aard van de mens. Adam Smith (wel gezien als de ideoloog van het kapitalisme) zei in de 18de eeuw al “dat de drang om onze situatie te verbeteren ons vanaf de moederschoot eigen is en we laten hem pas varen als we het graf ingaan”. De bijbel zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar geldzucht. Kapitalisme dwingt mensen uit te zoeken hoe aan de behoeften van anderen beter voldaan kan worden. Je kunt wel zeggen dat kapitalisme op hebzucht dezelfde beschavende invloed heeft als het huwelijk op wellust. Beide zijn erop gericht eigenzinnige of zondige menselijke impulsen met sociaal heilzame gevolgen te beteugelen. Albertus Magnus, de 13de eeuwse monnik, legde uit dat prijzen weerspiegelen “wat goederen volgens de raming van de markt ten tijde van de verkoop waard zijn”. En dat geloven we, zoals bekend nog steeds (einde zucht, HK).
Het idee van vooruitgang, van voorwaarts en omhoog, past ook bij het idee van christendom van een komend koninkrijk dat zich al hier en daar toont. Denk aan de afschaffing van de slavernij. De Grieken, Romeinen, Chinezen, Indiërs zagen de geschiedenis vooral als een cyclisch beweging.
Het christendom heeft er ook voor gezorgd dat mededogen een plaats in de sociale en politieke cultuur kreeg. In Afrika trekken mensen uit andere culturen zich weinig aan van de hongersnood of genocide verderop. Er is een Chinees spreekwoord: “De tranen van een vreemde zijn niets dan water.” In het westen worden er grootschalige hulpacties op touw gezet, of er wordt militair ingrijpen georganiseerd. Dit alles in het besef dat de slachtoffers mensen zijn zoals wij. Van Aristoteles moest je helpen om blijk te geven van je edelmoedigheid en zelfs superioriteit ten opzichte van mensen die minder zijn. Christenen handelen uit compassie, medelijden, en uit het besef dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Christelijke nederigheid is dan ook het absolute tegendeel van de klassieke grootmoedigheid.
M.a.w. de hulp aan de armen door instituties of door individuen komen we in niet-christelijke culturen nergens tegen en het christelijke geloof heeft ongelooflijk veel gedaan om het leven van mensen te verbeteren en menselijk lijden te verminderen.
|