|
Hoofdstuk 5: Geef aan de keizer wat van de keizer is: de geestelijke basis van de beperkte staatsmacht.
“Het christendom en niets anders is uiteindelijk de grondslag van de vrijheid, het geweten, de mensenrechten en de democratie, criteria waaraan de westerse beschaving valt af te meten. Uit deze bron voeden wij ons nog altijd” (Jurgen Habermas, 2005).
Onze jongeren weten weinig van het christendom, onze samenleving is in godsdienstig opzicht ongeletterd; er wordt zelden nog Bijbelonderricht gegeven. Velen weten nog geen vijf van de tien geboden op te noemen, of denken dat Jeanne d’Arc de vrouw van Noach was. Veel westerlingen zijn vreemdelingen in hun eigen cultuur.
Velen denken dat Griekenland en Rome model staan voor de antieke beschaving die vernietigd is door christelijke barbaren die de wereld in de donkere middeleeuwen stortten, en dat de beschaving gered is door de Renaissance, en pas de Verlichting ons de ogen opende voor de moderne wetenschap, het marktstelsel en de moderne democratie.
In feite rust de westerse beschaving op Griekenland en het voorchristelijke Rome en op het Jodendom en christendom. Maar in 1874 schreef Edward Gibbon The Decline and Fall of the roman Empire, waarin hij het christendom ervan beschuldigt de klassieke beschaving te hebben vervangen door een barbaarse godsdienst. Echter, de klassieke beschaving was doortrokken van pederastie en slavernij. Bovendien waren het de heidense Hunnen, Goten en Vandalen die Rome deden vallen. Het is simpelweg niet waar dat het christendom een hoog ontwikkelde beschaving onder de voet liep en verwoestte. Het christendom schiep veel later juist orde en stabiliteit, met name via kloostergemeenschappen. Christopher Dawson (Religion and the Rise of Western Culture) beschrijft hoe de kloosters in heel Europa centra van productiviteit, studie en kennis werden. Op den duur ontstonden er nieuwe ideaalbeelden van wellevendheid, goede manieren en romantische liefde. De christelijke bijdrage aan onze wetgeving, economie, politiek, kunsten, kalender en vakanties (holidays), aan onze morele en culturele prioriteiten is, dat we daarzonder een totaal andere maatschappij gehad zouden hebben.
Wat de kunst betreft: denk aan de Pieta van Michelangelo, het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci, Christus in Emmaus van Rembrandt, de Messiah van Händel, het Requiem van Mozart en de Passies van Bach, de gotische kathedralen, de werken van Dante, Milton en Shakespeare. Zonder christendom zouden deze kunstenaars andere dingen gedaan hebben, maar nu heeft hun genialiteit in het christendom haar karakteristieke uitdrukkingsvorm gevonden.
Zelfs het woord seculier is van christelijke afkomst: hiermee werden geestelijken aangeduid die onder de gewone mensen buiten de kloosters werkten. Om al het bovenstaande behoren zowel gelovigen als ongelovigen het christendom te respecteren.
Om één idee hier verder uit te werken, de scheiding van kerk een staat: dat is een oud christelijk idee dat terug gaat op Christus’ uitspraak “ Geef dan aan de keizer wat des keizers is en aan God wat God toebehoort”. De Romeinse schrijver Celsus hekelde de christenen omdat ze weigerden de goden van het Romeinse rijk inclusief de keizer, te vereren. Dat was verraad aan de natie! De christelijke kerkvader Origenes schreef een tegenbetoog.
Maar ook in het Jodendom was het geloof het geloof van de natie: Mozes liet de Israëlieten maar één keus: de monotheïstisch God van de joden aanvaarden of sterven, zie de strijd om het Gouden Kalf. Voor de Israëlieten was hun God van de Joden verheven boven de Egyptische en Romeinse goden. Maar de Romeinen respecteerden de Joodse God als staatsgod en namen Hem op in hun pantheon. Maar de Romeinen verboden het christendom omdat de christenen vonden dat niet alleen zij, maar de hele wereld de ene God moest dienen.
In het christelijk monotheïsme lag kritiek op het heidense veelgodendom besloten. Leken de goden sterk op geïdealiseerde mensen, de joods-christelijke God is ontheven aan tijd en ruimte, heeft geen lichaam en is een zuiver geestelijk wezen; hij lijkt dus helemaal niet op mensen.
Wilden de christenen een theocratie zoals het toenmalige Jodendom of later de Islam? Kan zijn, maar het is er nooit van gekomen en Augustinus heeft aangegeven in De Civitate Dei dat dat uiteindelijk ook niet de bedoeling kon zijn: mensen leven in twee rijken, nl. de aardse stad en de hemelse stad. Tegenover deze rijken heeft de christen plichten maar die verschillen van elkaar. De aardse stad hoeft zich niet bezig te houden met de uiteindelijke bestemming van de mens. Darmee zijn de aanspraken van de aardse stad beperkt: het geweten van een mens hoort niet onder politieke controle te staan. Hier wordt de overheidsmacht dus beperkt
Kerk en wereldlijk gezag hebben lang gestreden over het afgrenzen van hun macht. Maar er was nooit onenigheid over dat er een scheidslijn moest zijn. Het christelijke idee dat ook een gekozen regering over sommige zaken geen zeggenschap heeft, leeft voort. Zelfs een regering waar 99% van de bevolking achter staat, kan de resterende 1% niet bevelen allemaal Republikein te worden of vegetariër of christen. Religieus uitgedrukt: God heeft ervoor gekozen in beperkte mate macht uit te oefenen over het aardse domein, niet omdat hijzelf beperkt zou zijn, maar omdat Hij een deel van zijn koninkrijk aan de mensen heeft overgedragen, opdat ze daar op aarde toezicht op kunnen houden. Een Romein of een Griek uit de oudheid zou hier volstrekt niets van begrepen hebben – en een oude Israëliet evenmin.
De scheiding van kerk en staat functioneert al sinds het begin van het christendom. De keizer had het vanaf de bekeerde Constantijn nog steeds voor het zeggen, maar de kerk bleef de sacramenten bedienen. En al klinkt het bijna cynisch: de inquisitie berechtte ketters, de staat berechtte moordenaars.
Toch zijn er altijd christelijke groepen geweest die hun orthodoxie aan de rest van de samenleving wilden opleggen; ze probeerden de hemelse stad op aarde te vestigen en dat was precies waar Augustinus tegen had gewaarschuwd en Christus voor hem. De vrijheid om het goede te doen houdt in dat de mens ook vrij is om dat niet te doen. Om zulke groepen de pas af te snijden kwam men eerst met het begrip tolerantie (John Locke) en later gewetensvrijheid. In Amerika leidde dat tot een constitutie die aangaf dat de regering geen bemoeienis moest hebben met de godsdienst (Jefferson): de domeinen van de keizer en God moesten gescheiden blijven. Maar Jefferson verwoordde dat aldus: “En kunnen we ervan uitgaan dat de vrijheden van een volk geen gevaar lopen als we ze hebben losgemaakt van hun enige vaste basis, de overtuiging in de geest van de mensen dat deze vrijheden een gave van God zijn? Dat er alleen inbreuk op kan worden gemaakt op straffe van Zijn toorn?” en Washington: “Laten we voorzichtig zijn met de hypothese dat de moraal in stand kan blijven zonder religie”. En John Adams, Amerikaans tweede president: “Onze grondwet werd alleen opgesteld voor een deugdzaam en godsdienstig volk. Ze is voor het bestuur van andere volken ten enenmale ontoereikend.” De basale veronderstelling was: theologische verschillen berusten op openbaring, ethische verschillen kunnen redelijk worden besproken.
De Franse politicus en historicus de Tocqueville bezocht begint 1900 de VS en stelde vast dat het aantal sekten legio was, maar dat men overal dezelfde morele wet verkondigde. Hij noemde de godsdienst nummer één onder de politieke instellingen van de VS en hij meende dat daar het christendom, door liefdadigheid en zorg voor andermans welzijn als ideaal te propageren, tegenwicht bood aan de sterke menselijke neiging tot egoïsme en eerzucht.
|