|
Op 14 juni 2009 kwam in een kerkdienst Maria zelf aan het woord. Een preek in de ik-vorm.
Jullie kennen mij als Maria. Maar welke Maria kennen jullie eigenlijk? Als moeder kennen jullie mij, moeder van hem die de gezalfde is, messias. Dat ik later nog meer zonen en dochters heb gekregen, dat is voor velen van jullie moeilijk te begrijpen. Want jullie kennen mij ook als maagd. In het jaar 649 hebben jullie in een plechtige vergadering als dogma afgekondigd dat ik altijd maagd ben gebleven. Daar had ik toen niks meer over te zeggen, ik was er niet meer bij. Jullie kennen mij ook als bruid. Bruid van de heilige Geest noemen jullie mij. Als koningin kennen jullie mij, in oude liederen word ik zo bezongen. En tot slot kennen jullie mij als voorspreekster. Als moeder Gods die een goed woord doet. Wanneer jullie naar Frankrijk gaan op vakantie, en een van die oude Romaanse kerkjes bezoeken, dan steken ook jullie, protestanten die je bent, een kaarsje aan, en je denkt aan mensen thuis die het moeilijk hebben. Je richt je niet rechtstreeks tot mij, om hulp. Vele anderen doen dat wel. Zit daar kwaads in? Ach, er zijn vele wegen die naar God leiden. Dan mag het toch ook wel langs mij? Als je maar niet denkt dat ik de enige ben, als je van mij maar geen verlosser maakt, dan doe je mij teveel eer. Ik kan me overigens wel voorstellen dat veel mensen langs mij de weg naar mijn Zoon en naar God zijn gegaan. Want God was zo ver weg, zo mannelijk, zo streng. En dan kwamen ze de kerk binnen, en zagen mijn liefelijk gelaat, en dat verwarmde hun hart. Mag een mens dan misschien ook langs mij de zoon en de Vader zoeken?
Maar wie ben ik eigenlijk? Ben ik alleen maar moeder, maagd, bruid, koningin of voorspreekster? Mijn naam is een teken. Noem mij niet Maria. Noem mij liever bij mijn eigenlijke naam: Marjam of Mirjam. Ik draag dezelfde naam als Mirjam, de zus van Mozes en Aäron. Profetes wordt zij genoemd in de bijbel. En die rol is mij eigenlijk het liefst. Een profetes is iemand die gewone dingen doorzichtig maakt tot op God, iemand die de stem van God doet klinken, vaak tegen de verdrukking in. Een profetes werd ik toen ik zwanger en wel naar de oude Elisabeth ging, en door haar begroet werd, met een zegen. Kracht werd toen wakker in mij, sluimerende kracht, vrouwenkracht waarvan ik niet had vermoed dat ik die als vijftienjarig meisje had. Mijn hart liep over, mijn stem liep over, mijn tong was niet meer te stoppen en liep over van de taal der engelen. Het zij me vergeven als ik wat trots klink. Want in dat lied dat jullie lector hier zo-even gelezen heeft, daarin gaat het er nu juist om dat God de trotsen verlaagt, en de geringen verhoogt. Ik sprak in de geest van een voormoeder van mij, van Hanna, de moeder van Samuël. Haar profetische woorden maakte ik als nieuw, toen, op dat moment. Ik zelf was de geringe die verhoogd zou worden. En al was ik gering, ik was het die de lof van God jubelde, niet de hoge heren in de tempel die het allemaal zo goed weten en die mij wat scheef aankeken toen ik later samen met mijn geliefde Jozef ons offer der armen kwam brengen voor mijn eerstgeborene.
Wie ben ik? Als jullie mij koningin of sterre der zee noemen voel ik me daar ongemakkelijk bij. Waar blijft het eenvoudige Joodse meisje dat ik was? Wat komt er tevoorschijn onder het bladgoud waarmee jullie me soms versieren? Een vrouw die pijn had vermengd met vreugde, misschien dat wel allereerst. Een van jullie veelbelovende beeldhouwers heeft een beeld van mij en mijn zoon gemaakt dat nu in Utrecht te zien is. Ik durf er bijna niet naar toe te gaan, het is voor mij als moeder te confronterend om mijzelf zo te zien.
Jullie hebben het ook gezien, toen je vanmorgen hier binnenkwam. Je zag mij in een bekende pose. Maria treurend met haar zoon. Maar een gezicht had ik niet, slechts een gapend gat liet de beeldhouwer daar achter. Ik durf het beeld amper te aanschouwen, het rijt te veel wonden open. Het is te waar, dat beeld. Als je dat beeld ziet, wordt het voor jullie opeens niet meer de vraag: mag ik me tot Maria richten, in mijn gebed? Nee, de vraag voor jullie wordt: wil ik een weg in geloof gaan zoals Maria die is gegaan? Durf ik die weg te gaan? Ga maar met me mee. Ga maar met me mee langs enkele van de plaatsen waar ik ben geweest.
Wat vertelt Lucas als eerste over mij? Een engel bezocht mij, Gabriël was zijn naam. Een ongehoorde boodschap kwam hij brengen. Mijn zoon zou geboren worden, maar zonder dat er enige mannelijke potentie aan te pas zou komen. De kracht van de allerhoogste zou mij als een schaduw bedekken. Daarin hoorde ik een echo van de wolk van de allerhoogste die het bevrijde volk van Israël begeleidde tijdens hun tocht door de woestijn. Ik hoorde daarin dus woorden van bevrijding, zelfs door mij heen, eenvoudige vrouw als ik was. Hoe dat zou geschieden, ik wist het niet, maar ik beaamde het, ik gaf mijn ‘fiat’: ‘laat het zo geschieden!’
Hoe zou jij antwoorden? Wie durft zo bemind te zijn? Wie durft zo ‘ja’ te zeggen tegen Gods woord? Zonder enige voorbereiding moest ik opeens beamen dat God mijn leven wilde sturen. Daar had ik anders net als jullie jaren en jaren over gedaan. Mijn aanvankelijke angst voor de woorden van de engel werden overwonnen. Ik vertrouwde mij toe.
Toen dit was gebeurd, had ik het nodig om van mens tot mens te spreken. Ik reisde naar een dorp in Judea, naar het huis van Zacharias en Elisabeth. Daar waren wij, de een een vrouw die te oud was om nog kinderen te krijgen, als was zij Sara, de ander ikzelf, een vrouw te jong om al kinderen te krijgen. Wij herkenden als vrouwen het wonder in elkaar. Ik die later zo eenzaam zou zijn met een zoon als ik zou krijgen, ik kreeg de warmte mee van een groet van een vrouw, een zegen. Elisabeth zegende mij, en de vrucht van mijn schoot. Zo kon de spot die mij later ten deel zou vallen mij niet meer deren, ten minste niet volledig. Want gezegend was ik door Elisabeth! Dan vraag ik jullie: geven jullie elkaar kracht door elkaar te zegenen, door open te staan voor het wonder in elkaar?
Mede door de kracht die ik van haar kreeg, kreeg ik stem als was ik een profeet, en uitte ik mij in woorden die nog steeds gezongen worden, tot op de dag vandaag, zoals ook jullie vanmorgen hebben gedaan. Ik schaarde mij in een stoet van vrouwen die stem kregen: Mirjam, Debora, Hanna, Judith, en zoveel andere vrouwen van wie de namen niet zijn overgeleverd.
En toen werd hij geboren, mijn eerste zoon. Dat ik hem mocht dragen, dat maakt mij uniek. Hij heeft maar één aardse moeder. Maar maak mij niet te groot, en zie mij niet als moeder alleen. Ik was niet alleen de moeder van. Maar ook een vrouw met een eigen stem. Hoorde ik niet bij de groep die als eerste van zijn opstanding zou gaan getuigen? Maak mij niet alleen de moeder van, zie mij liever ook als getuige, spreker, apostel of profetes, en wees zelf van hem broeder of zuster, en broeder of zuster van elkaar. Ontvang Hem in je eigen leven, niet alleen in je geest, maar in heel je lijf en leden. Laat zijn liefde in je werken, dan wordt je zelf een instrument van de liefde van God.
Maar waar was ik gebleven in mijn verhaal? Amper was hij geboren, amper was de navelstreng doorgeknipt, of ik moest leren dat ik hem los moest laten, toen al. We gingen naar de tempel, Jozef en ik, om het offer van de armen te brengen. De oude Simeon sprak woorden die mij leerden dat mijn zoon een betwist teken zou worden, families zouden worden uiteen gerukt over de vraag wie hij werkelijk was, en ik zou als door een zwaard doorstoken worden. Zo werd ik voorbereid op wat er later zou geschieden. De een zou zeggen: ‘hij komt van God’, de ander: ‘van de duivel’. Omstreden zou hij zijn, om zijn eigen weg. Liep hij niet al van ons weg toen hij amper bar mitswa was, als twaalfjarige in de tempel? Al toen nam hij afstand van ons, en ging zijn eigen weg, de weg van zijn hemelse Vader. Mag een moeder soms niet vasthouden dan? Nee, ik ging naar huis en bewaarde in mijn hart al wat er gebeurd was. Ik mocht amper mijn eigen leven leiden, ik moest me toevertrouwen aan iets wat groter was dan mijzelf. Ik liet los, toen al.
Jaren later was er een vrouw die hem toeriep: ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten waaraan u gedronken hebt!’ Maar mijn zoon zei toen: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’ Hij had zijn eigen familie verlaten, mij, zijn broers en zusters, had voor een zwervend bestaan gekozen. Men zei dat hij gek geworden was, maar toen we hem kwamen halen negeerde hij ons. Hij keek naar de mensen die om hem heen waren en: zei: ‘mijn moeder en mijn broers zijn deze mensen hier, die het woord van God horen en doen’. Daar stonden we, ikzelf met zijn broers Jakobus en Joses en Judas en Simon. We gingen terug naar huis. Wij zijn niet meer zijn familie, dacht ik. Ik ben niet meer zijn moeder dacht ik. Ik heb hem verloren dacht ik. Hij heeft een nieuw gezin, zij die het woord van God horen en doen. Pas later werd het mij duidelijk dat hij deze woorden ook tot mij gesproken had. En dat ik weer tot zijn gezin zou behoren als ik het woord van God zou horen en doen. Hij had mij niet zozeer afgewezen, als wel een opdracht meegegeven. Er was meer dan de biologische band, er was een opdracht, en dus bleef ik hem volgen, zoals een moeder dat moet doen. Op die bruiloft te Kana negeerde ik de harde woorden die hij tot mij sprak, en gaf hem alle ruimte om het te doen op zijn manier. Ik hoorde verhalen die mij vrees inboezemden, ik dacht: als je zo spreekt over de dragers van gezag, dan ziet het er straks niet goed voor je uit. Met angst en beven zag ik hoe hij werd ingehaald in Jeruzalem, als een koning zonder macht. Ik begreep wel wat hij bedoelde, maar zouden de leiders van het volk het wel verstaan?
Ik zag hoe het conflict opliep in de tempel en daarom heen, woorden over en weer, gekonkel, verraad. Met de andere vrouwen en enkele van zijn vrienden stond ik aan de voet van zijn kruis. Ik had geen stem meer, geen gelaat. Het liefst verborg ik mijn treurende ogen voor immer. Maar toen die andere Maria, zij van Magdala, met het nieuws kwam: hij is opgestaan, gebeurden er dingen met ons die ik niet voor mogelijk had gehouden. Ik was er bij, bleef er bij. Samen met de andere vrouwen, met mijn overgebleven zoons en de elf leerlingen bleef ik bidden, na zijn terugkeer naar de Vader, wachtend op de Geest.
Tot zover mijn verhaal. Een uniek verhaal? Ja zeker. Een unieke vrouw? Hoe zou ik dat ontkennen? Maar ieder mens is uniek. Ieder mens kan maagd worden door beschikbaar te zijn voor God en zijn koninkrijk. Ieder mens kan Christus toelaten in haar of zijn leven, en schepper worden van woorden en daden van liefde en genade. Maak mij niet te groot, maar maak mij ook niet te klein. Want als je dat doet, kleineer je ook jezelf. Laat ook jouw weg een wegwijzer zijn naar Jezus, en zing steeds opnieuw mijn lied, waarin de geringe wordt verhoogd. Dan leef je in mijn geest, in die van mijn Zoon. AMEN
Erik van Halsema 2009
|